Waaiervleugeligen - Strepsiptera

Coordinator
J.T. Smit 
EIS-Nederland
Postbus 9517
2300 RA Leiden
smitj@naturalis.nl

 

Wat zijn Waaiervleugeligen
Waaiervleugeligen zijn kleine insecten met een endoparasitaire levenswijze. Dat wil zeggen dat het grootste deel van hun leven zich afspeelt binnen in een gastheer. Voor de meeste soorten geldt dat slechts het mannetje en het eerste larvestadium, de triunguline larve, een vrij levend bestaan buiten de gastheer kennen.
Waaiervleugeligen blijven in het veld vaak onopgemerkt doordat de triunguline larven zeer klein zijn (80 - 350µm), de mannetjes maar enkele uren leven en de vrouwtjes in het achterlijf van de gastheer zitten. De vrouwtjes zijn zichtbaar aanwezig in de gastheren doordat het cephalothorax (kopborststuk) tussen twee achterlijfssegmenten uitsteekt. De meeste waarnemingen van deze dieren betreffen dan ook vrouwtjes die worden aangetroffen in gastheren die zijn verzameld.

Xenos

Een vrouwtje Polistes dominulus met een lege poppenhuid van een mannetje Xenos vesparum tussen het derde en vierde tergiet en een vrouwtje X. vesparum tussen het vijfde en zesde tergiet. Foto Sandra Lamberts.

 

Levenswijze van Waaiervleugeligen

Waaiervleugeligen kennen een zeer sterke seksuele dimorfie. De vrouwtjes lijken niet op volwassen insecten omdat zij zich geheel hebben aangepast aan de endoparasitaire levenswijze. Ze hebben het uiterlijk van een insectenlarve, zogenaamde neotenie (= het geslachtsrijp zijn van een larve). Het lichaam bevindt zich voor het grootste deel in het achterlijf van een gastheer. Alleen het cephalothorax (kop-borststuk) heeft een stevig uitwendig skelet. Dit steekt voor een deel uit het achterlijf van de gastheer, vaak tussen twee tergieten. Het vrouwtje bezit slechts rudimentaire monddelen omdat ze niet actief eet. Ze neemt haar voedsel, door middel van diffusie, rechtstreeks door de huid op uit de gastheer. Aan de buikzijde van haar lichaam bevindt zich een broedkanaal, dit wordt gevormd door een deel van de oude larvenhuid. De opening van het broedkanaal bevindt zich aan de onderzijde van het cephalothorax en is in het begin afgesloten door een dun membraan. De verharding van het cephalothorax en de vorming van het broedkanaal gebeurt tijdens de laatste vervelling.   Stylops_melittae_ww 
   Vrouwtje van Stylops melittae

Eoxenos laboulbenei

Mannetje van Eoxenos laboulbenei.

Stylops_melittae_mn 

Mannetje van Stylops melittae.  

De mannetjes zien er wel uit als volwassen insecten en ze hebben functionele vleugels. Waaiervleugeligen hebben hun Nederlandse naam te danken aan hun achtervleugels die er als een waaier uitzien en ook als zodanig opgevouwen worden. De voorvleugels zijn gereduceerd tot een soort kolfjes, die er overigens meer lobvormig uitzien en daarmee dus afwijken van de kolfjes of halters zoals we die kennen van tweevleugeligen (Diptera). Of de kolfjes van de waaiervleugeligen net als bij de tweevleugeligen een rol spelen bij de balans tijdens de vlucht is onduidelijk. De mannetjes hebben grote antennen, die vaak vertakt zijn, waarop chemoreceptoren zitten die een belangrijke rol spelen bij het vinden van de vrouwtjes. 
 

 

 Antennevormen van verschillende mannetjes  
H_silwoodensis_antenne  Stylops_melittae_antene  E_tenuicornis_antenne 
Halictophagus silwoodensis. Stylops melittae.  Elenchus tenuicornis. 


Voorheen werd gedacht dat de vleugels niet echt functioneel waren en dat ze met name dienden ter ondersteuning bij het lopen en kruipen. Een waarneming op 20 maart 2000 wees echter uit dat de mannetjes wel degelijk kunnen vliegen. Op die dag werd in het gebied de Stikke Trui te Rheden een vliegend mannetje van Stylops melittae Kirby, 1802 waargenomen. Het vliegbeeld had veel weg van dat van een kleine kortschildkever (Coleoptera: Staphylinidae).

Stylops_copulatie

Mannetje Stylops melittae copulerend met een vrouwtje in het achterlijf van Andrena vaga. Foto Wolfgang Rutkies (www.rutkies.de).

 

 Voor meer foto's van Stylops melittae zie http://www.rutkies.de/bienen-13d/index.html  
   

Bij de paring doorbreekt het mannetje het membraan van het broedkanaal bij het vrouwtje. De spermatozoïden kunnen via een paar genitale kanalen vanuit het broedkanaal het lichaam van het vrouwtje binnendringen. In dit lichaam drijven de eitjes vrij rond. Na de bevruchting zwemmen de triunguline larven eveneens vrij rond. Ze verlaten het lichaam van het vrouwtje via hetzelfde broedkanaal. Deze triunguline larven hebben drie paar poten en een springstaart, zo kunnen ze actief op zoek naar een geschikte nieuwe gastheer. Veelal wachten de larven, zeker van de soorten die op bijen of wespen parasiteren, op een bloem tot er een vrouwtje van een bij of een wesp langskomt. De larve lift mee naar het nest van de gastheer. Eenmaal in het nest wacht de larve vermoedelijk tot de larve van de bij of wesp uit het ei komt. Daarna vreet de larve zich bij de gastheer larve naar binnen in het achterlijf. Eenmaal in de gastheer ondergaat de triunguline larve een vervelling en ziet er vervolgens uit als een normale, madeachtige insectenlarve, zonder poten of springstaart. De larve neemt vanaf dat moment door de huid zijn voedsel op uit de gastheer. Wanneer de gastheer larve gaat verpoppen breekt de waaiervleugelige larve door het membraan tussen twee tergieten van het achterlijf van de gastheer. Hierna volgt de laatste vervelling. Bij een vrouwtje steekt dan het cephalothorax tussen de twee tergieten uit, bij een mannetje vormt de laatste vervelling een pop die voor een deel tussen de tergieten uitkomen. Op het deel van de pop dat buiten het lichaam van de gastheer steekt zit een paar doorschijnende oogplekken. Deze zorgen ervoor dat het mannetje onder invloed van zonlicht uit zijn pop te voorschijn komt. 

E_tenuicornis_triunguline 

Triunguline larve van Elenchus tenuicornis.

 

De waaiervleugeligen van Nederland
Mede door hun verborgen levenswijze is er er maar weinig aandacht voor deze groep in Nederland. In de spaarzame literatuur wordt melding gemaakt van vijf soorten, deze informatie is samengevat in het artikel van Smit & Smit (2005). In 2007 is er een zesde soort in Nederland aangetroffen (Smit 2007). Het merendeel van deze soorten betreft parasieten van angeldragers (Hymenoptera: Aculeata), twee soorten parasiteren op cicaden (Homoptera: Delphacidae, Ulopidae).

Soort  Gastheer
Elenchidae  

Elenchus tenuicornis (Kirby, 1815)

Cicaden (Homoptera: Delphacidae)

   
Halictophagidae
Halictophagus silwoodensis Waloff, 1981 Heidecicade Ulopa reticulata (Homoptera: Ulopidae)
   
Stylopidae    
Halictoxenos tumulorum Perkins, 1918
Bijen (Hymenoptera: Apidae: Halictus & Lasioglossum)
Pseudoxenos heydeni (Saunders, 1852) Wespen (Hymenoptera: Eumenidae: Ancistrocerus)
Stylops melittae Kirby, 1802 Bijen (Hymenoptera: Apidae: Andrena)

Xenos vesparum Rossi, 1793

Veldwespen (Hymenoptera: Vespidae: Polistes)

 


Recente literatuur met betrekking tot Nederland

Smit, J.T. 2008. Waaiertjes in je lijf. In: Kleukers, R, M. Berg & W. van Strien (eds). Passie voor kleine beestjes, 33,3 jaar Stichting EIS-Nederland. - EIS-Nederland. 24-26.

Smit, J. & J.T. Smit 2008. Xenos vesparum komt hogerop. Bzzz 28: 46-47.

Smit, J.T. 2007. Het heidecicadewaaiertje Halictophagus silwoodensis nieuw voor Nederland (Strepsiptera: Halictophagidae). - Nederlandse Faunistische Mededelingen 27: 85-90.

Smit, J. & J.T. Smit 2006. Bijverschijnselen. - Bzzz 23: 28-29.

Smit, J.T. & J. Smit 2005. De waaiervleugeligen (Strepsiptera) van Nederland. Entomologische Berichten 65(2): 43-51

Smit, J.T. 2001. Strepsiptera - Waaiervleugeligen. In: Smit, J. (ed.). Stikke Trui. Verslag van 9 jaar inventariseren; 1990 1998. - Insectenwerkgroep KNNV afdeling Arnhem. 50-58.

Smit, J. 1994. Waaiervleugeligen en zandbijen. Veelpoot 5(3): 4-9.

 

 

Monday, January 11, 2010