Japanse spitsmuismol
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.16251, 16252, 16253, 16254, 39018, 39019, 39020, 39021, 39022, 39023, 39024, 39025, 39026, 39027, 39028, 39029, 39030, 39372 |
| Status | Syntypen |
| Naam |
Urotrichus talpoides Temminck, 1841 |
| Huidige naam |
Urotrichus talpoides Temminck, 1841 |
| Verzameld | Japan |
Wie is de mol?
Spitsmuis, mol, of spitsmuis vermomd als mol? Allerlei lichamelijke aanpassingen maken van de Japanse spitsmuismol een succesvolle bewoner van de wereld onder de grond. Toch blijft het, ondanks zijn molligheid, een spitsmuis, die ook af en toe ook bovengronds zijn (spitse) neus wil laten zien. Van die gedraging maakte de beroemde natuuronderzoeker Philipp Von Siebold in de eerste helft van de negentiende eeuw dankbaar gebruik. Hij wist tientallen van deze diertjes te verzamelen. Achttien werden er gebruikt voor de soortbeschrijving en die staan daarom te boek als syntypen. De typeserie wordt bewaard in de collectie van NCB Naturalis en mag zich af en toe verheugen in de belangstelling van Japanse onderzoekers.
Ontdekt door Von Siebold
De eerste grote zoölogische en botanische collecties van Japan werden tussen 1824 en 1834 bijeengebracht door Philipp Franz von Siebold (1796-1866) en zijn assistent Heinrich Bürger (1881-1942). De Duitsers in Nederlandse dienst hadden hun basis op de Nederlandse handelspost Dejima, een kunstmatig eiland in de haven van Nagasaki. Von Siebold doceerde medicijnen aan Japanse studenten en legde zo vele contacten. Hij wist op die manier natuurhistorisch materiaal uit het gehele Japanse rijk te verzamelen. Het grootste gedeelte van zijn zoölogische verzameling, waaronder spitsmuismollen, werd tussen 1826 en 1829 naar Leiden verscheept. NCB Naturalis is in het bezit van 28 exemplaren, waaronder een skelet. Achttien daarvan vormen de typecollectie. Helaas vermelden de labels geen exacte vinddatum en slechts van een paar exemplaren weten we wie de verzamelaar was, namelijk Bürger. Dankzij aantekeningen van Von Siebold is bekend dat de spitsmuismollen dood in het veld werden aangetroffen en dus gewoon van de grond zijn opgeraapt. Waarom ze levenloos aan het oppervlak lagen is niet bekend.
Fauna Japonica
Von Siebold bestudeerde de kleine zoogdieren die hij uit Japan meebracht niet zelf. Bürger maakte daar wel een begin mee, maar het was Coenraad Jacob Temminck, oprichter en eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, die voor het eerst een uitgebreide studie over de Japanse spitsmuismol publiceerde in Fauna Japonica. Dit overzichtswerk in zes delen over de dierenwereld van Japan was geheel gebaseerd op Von Siebolds collectie. Opmerkelijk is dat de afbeelding van de Japanse spitsmuismol in Fauna Japonica een opgezet exemplaar laat zien dat met geen enkele spitsmuismol uit de collectie van Von Siebold overeenstemt. Het is althans niet meer in deze collectie terug te vinden. Mogelijk was de verzameling vroeger uitgebreider en is het afgebeelde exemplaar verloren gegaan. Overigens is de officiële eerste beschrijving van de Japanse spitsmuismol al een jaar eerder gepubliceerd, namelijk in 1841.
Geen kolenschoppen
Een dichte vacht, graafklauwen, een kort staartje, kleine oorschelpen en verregaande bijziendheid: de Japanse spitsmuismol is gemaakt voor een leven onder de grond. Toch is hij eenvoudig van een echte mol te onderscheiden. Waar mollen grote kolenschoppen als voorpoten hebben, moet de spitsmuismol het doen met frêle graafpootjes. Geen wonder dat het dier zich alleen naar beneden kan werken als de bodem een losse structuur heeft. Het gangetje dat hij graaft hoeft niet groot te zijn. Meer dan tien centimeter lang wordt het muisje niet. Hij weegt dan ook niet meer dan twintig gram. Het sigaarvormige en gladde lichaam, zonder uitstekende delen waarmee het dier zou kunnen blijven haken, verraden een ondergrondse leefwijze. De oorschelpen bijvoorbeeld zijn zo klein dat ze geheel in de vacht schuil gaan. De snuit is erg gevoelig en steekt als een soort antenne vooruit. De spitsmuismol kan er insecten mee opsporen en zich in het donker oriënteren. Bij dat laatste helpen ook de tastharen die aan de snuitbasis zitten.
Japanse spitsmuismol uit de collectie Von Siebold. Syntype RMNH.MAM.39018. Foto © NCB Naturalis.
Ook bovengronds
Japanse spitsmuismollen leven zowel in open (gras)landschappen als in het bos. Ze komen van zeeniveau tot op tweeduizend meter hoogte voor, maar zijn vooral op drie- tot vierhonderd meter hoogte te vinden. Een exclusief ondergrondse leefwijze hebben de dieren niet: ook bovengronds zijn ze actief en ze kunnen zelfs in lage struiken en bomen klimmen. Het voedsel bestaat uit wormen, spinnen, insecten en andere ongewervelde dieren. In de buurt van Tokio is veel onderzoek naar dit dier gedaan, waardoor het nodige over de leefwijze bekend is. Zo is ontdekt dat in het noorden de jongen in april en mei worden geboren, terwijl dat verder zuidwaarts al in maart gebeurt. Meestal zitten er drie tot vier jongen in een nest, die vier weken bij de moeder zogen. Een tweede geboortepiek vindt plaats van juni tot september.
Verspreiding
De Japanse spitsmuismol is endemisch op de eilanden Awaji, Tsushima, Shodo, Oki, Mishima, Awashima en Goto. Hij komt daarnaast ook voor op Honshu, Shikoku, Kyushu, samen met de hondospitsmuismol Urotrichus pilirostris.
Meer informatie
- IUCN red list http://www.iucnredlist.org/apps/redlist/details/41489/0
-
Nowak R.M. (ed), 1991. Walkers Mammals of the World. Volume I. The John Hopkins University Press. Chicago/Baltimore.
- Temminck C.J. 1841. Eenige geslachten van zoogdieren, een deel der fauna van Japan uitmakende. Het Institiuut, of Verslagen en mededeelingen uitgegeven door de vier klassen van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten over den jare 1841: 208-216.
Monday, February 28, 2011

