Baardzwijn

sus barbatus_key visual

 

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.MAM.39243
Status Holotype
Naam Sus barbatus Müller, 1838
Huidige naam Sus barbatus Müller, 1838
Verzameld Banjarmasin, Borneo

Baarden voor de zwijnen

Salomon Müller, natuurvorser en ontdekkingsreiziger, had in zijn leven al verschillende soorten zwijnen die op de wereld voorkwamen gezien. Toen de Duitse onderzoeker in Nederlandse dienst tijdens een expeditie op Borneo oog in oog kwam te staan met een zwijn met opvallende bakkebaarden, moet hij het dier onmiddellijk herkend hebben als nieuwe soort. Müller nam een exemplaar mee naar het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, waar hij werkte, en hij beschreef de soort vervolgens als Sus barbatus. Het holotype vormt nog steeds een van de topstukken in de wetenschappelijke collectie van NCB Naturalis.

Müller en het zwijn
Salomon Müller (1804-1864) behoorde tot de laatstgedienden van de zogeheten Natuurkundige Commissie die in opdracht van de rijksoverheid expedities uitvoerde om de natuur in het voormalige Nederlands-Indië, destijds onze grootste kolonie, te leren kennen. Hij was ook een van de weinige commissieleden die levend terugkwam uit de tropen. Müller kreeg een baardzwijn te pakken tijdens zijn afsluitende expeditie in Banjermasin op Borneo. Na terugkeer in Nederland beschreef hij het dier als nieuwe soort. Regelmatig klinkt in de soortnaam iets van opvallende uiterlijke kenmerken door. Zo ook bij Sus barbatus, letterlijk te vertalen met ‘bebaard zwijn.'

Kwasten voor en achter
Het baardzwijn is een van de vier soorten wilde varkens uit het geslacht Sus, samen met het wrattenzwijn, het wilde zwijn en het dwergzwijn. Het dier dankt zijn naam aan de lange kwastvormige bakkebaarden die van de mondhoeken tot bijna aan de oren reiken. Het lichaam is zijdelings afgeplat, de kop lang en spits. Volwassen exemplaren worden 100-165 centimeter bij een schofthoogte van 70 tot 85 centimeter en een gewicht van tot 150 kilo. Ook de achterkant van het lichaam eindigt in een kwast: een dubbele zelfs, aan de punt van de staart.

sus barbatus_klein

Baardzwijn. RMNH.MAM.39243. Foto © NCB Naturalis.

Banjermasin_Borneo.png

Verspreiding
Baardzwijnen komen voor in Maleisië en op de eilanden Sumatra, Bangka en Borneo. Hun areaal wordt steeds kleiner, want als gevolg van het verdwijnen van tropische bossen lopen de aantallen de afgelopen twintig jaar sterk terug.

Wroeters
In de overgebleven tropische regenwouden en mangrovebossen zijn baardzwijnen gelukkig nog steeds vrij algemeen. Ze eten voornamelijk vruchten, insectenlarven, wortels en jonge loten van sagopalmen. Door mensen verbouwde yam en maniok zijn ook zeer geliefd, met als schaduwzijde dat de dieren op zoek naar deze knollen behoorlijk huishouden in akkers. Met hun gevoelige maar gespierde snuit wroeten ze wat onder de grond verborgen zit naar boven. Hun geschoffel zou niet mogelijk zijn zonder de met kraakbeen versterkte wroetschijf vooraan. Hierin komen de neusopeningen uit en er zitten klieren in waarmee de zwijnen lekkers detecteren. Dankzij hun uitstekende reukvermogen ontsnapt zelfs diep in de grond zittend voedsel niet aan hun aandacht. Ook bij het herkennen van soortgenoten is een goede neus van belang, want ze zien slecht.

Zoals alle varkens, zijn baardzwijnen sociale dieren die in familiegroepen leven, met zeugen en biggen als kern. Ze houden van lichaamscontact en vleien hun gevoelige huid tijdens het rusten tegen elkaar aan om hun sociale band te versterken. Het zijn luidruchtige dieren. Ze maken allerlei piepende, grommende, snuivende en proestende geluiden. Daarbij zijn duidelijke contact- en lokroepen te onderscheiden, evenals waarschuwings- of aanvalsgeluiden. Vaak trekken de zwijnen op in gezelschap van andere dieren. Zo volgen ze groepen gibbons en makaken, om te profiteren van de vruchten die de apen laten vallen. De gekuifde bospatrijs of roelroel op zijn beurt vindt in de buurt van de zwijnen altijd een gedekte tafel. De vogels verwijderen teken van de zwijnenrug en pikken wormen vlak voor hun wroetende snuit uit de grond, maar dat vinden de zwijnen minder leuk. Ook fungeren ze als waakhond. Ze houden de omgeving in de gaten en als er gevaar dreigt slaan ze luidruchtig alarm.

In tegenstelling tot onze wilde zwijnen hebben baardzwijnen geen bronstperiode. Tropische varkens kunnen gedurende het hele jaar paren en jongen krijgen, omdat er vrijwel altijd voldoende voedsel voorhanden is. Desondanks werpen ze slechts eens per jaar, na een draagtijd van vier maanden. In een zelf gebouwd nest komen twee tot acht jongen ter wereld. Zelfs met z'n achten is het niet dringen, want met een doorsnee van twee meter is het nest erg ruim. De biggetjes worden meestal twee tot drie maanden gezoogd, maar naarmate ze ouder worden gaan ze steeds meer vast voedsel eten. Ze mogen rekenen op een lang leven. Als er niets ergs gebeurt, kunnen baardzwijnen een leeftijd van vijfentwintig jaar bereiken.

Meer informatie

 

Friday, February 25, 2011 author: Marije Siemensma