Grote olifantspitsmuis

Rynchocyon Cirnei_key visual

 

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.MAM.39313
Status Syntype
Naam Rhynchocyon Cirnei Peters, 1847
Huidige naam Rhynchocyon cirnei Peters, 1847
Verzameld Bororo, Mozambique
 

Gepromoveerd tot type-exemplaar

NCB Naturalis heeft het type-exemplaar van dit wonderlijke dier te danken aan goede contacten met collega's bij het natuurhistorisch museum van Berlijn. Het mannetje kwam in 1851 door ruil in ons bezit. Men wist toen nog niet dat het een nieuwe soort was. Pas een jaar later beschreef de zoöloog W.C.H. Peters Rhynchocyon cirnei, op basis van een vrouwtje uit de collectie van het Berlijnse museum. In de soortbeschrijving betrok hij ook het mannetje van NCB Naturalis. Mannetje en vrouwtje staan daardoor te boek als de syntypen van de soort.

Afrika - Berlijn - Leiden
Tijdens zijn verblijf in Mozambique tussen 1843 en 1846 verzamelde de Duitse zoöloog Wilhelm Carl Hartwig Peters (1815-1883) twee grote olifantspitsmuizen, een mannetje en een vrouwtje. Aangezien Peters in dienst was van het natuurhistorisch museum van Berlijn, kwamen de dieren daar terecht als geprepareerde huid. Volgens aantekeningen in zijn dagboek verbleef Peters twee maanden op het landgoed van de familie Cirne, bij Quellimane, in het district Bororo. Wanneer dat precies was is helaas niet bekend; Peters schreef het niet in zijn dagboek, net zo min als wanneer hij de twee dieren verzamelde. Hoewel Peters al in 1846 vermoedde dat het een nieuwe soort betrof (in zijn aantekeningen maakt hij hier melding van), kon hij Rhynchocyon cirnei pas in 1852 wetenschappelijk beschrijven, nadat hij was teruggekeerd in Berlijn. Inmiddels was het mannetje geruild met het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Coenraad Jacob Temminck (1778 -1858), de directeur van het museum, onderhield goede contacten met zijn Berlijnse collega's en wist de bijzondere olifantspitsmuis in zijn collectie te krijgen. Omdat Peters in zijn soortbeschrijving naar dit mannetje verwees, verwierf het automatisch de typestatus. Het mannetje in Leiden en het vrouwtje in Berlijn vormen samen de syntypen van de soort.

Rynchocyon Cirnei_555 

Syntype van Rhynchocyon cirnei. RMNH.MAM.39313. Foto © NCB Naturalis.

Hond, spitsmuis, kangoeroe, olifant
Rhynchocyon betekent letterlijk 'hondensnuit.' Inderdaad heeft de kop wel wat weg van een hond. De grote olifantspitsmuis kan als een kangoeroe sprongen maken, geen gewone sprongen, maar reuzensprongen. Die capaciteiten heeft het te danken aan verlengde scheenbenen en middenvoetsbeentjes. De lange achterpoten werken als een soort polsstokken. De 19-26 centimeter lange staart houdt het dier tijdens het springen in balans. De kop-romplengte bedraagt 23-32 centimeter, het gewicht 320-440 gram.

Rhynchocyon is één van de vier geslachten binnen de groep van de olifantspitsmuizen. Vanwege hun (oppervlakkige) gelijkenis met honden worden ze ook wel slurfhondjes genoemd. Net als bij de olifant wordt de slurf gevormd door de verlengde bovenlip. De slurf is erg beweeglijk en gevoelig. Aan het uiteinde is de slurf kaal, maar aan het begin staat een groot aantal lange tastharen. Ook de grote ogen en oorschelpen zorgen voor goede waarneming.

Onder de staartwortel zitten geurklieren, waardoor vooral de mannetjes sterk naar muskus ruiken. De vacht is geelgrijs tot donkerbruin en bestaat uit korte, dikke haren. Over de rug lopen donkere banden, afgewisseld met lichte, soms witte vlekken. Ze geven de vacht een mooi patroon. Overigens zijn er wel kleurverschillen tussen populaties. Olifantspitsmuizen in Tanzania en Mozambique hebben een oranjerode vacht die bezaaid is met zwarte vlekken, maar bij olifantspitsmuizen uit de Democratische Republiek Congo is nauwelijks een patroon te zien vanwege de donkere vacht.

Bororo_Mozambique.png

Verspreiding
Olifantspitsmuizen komen uitsluitend voor in Afrika. Ze leven verspreid van Noord-Mozambique en Zuid- en Zuidwest-Tanzania, Malawi en Noordoost-Zambia tot Noord- en Oost-Congo en Oeganda. Er zijn zes ondersoorten bekend. De grote olifantspitsmuizen komt voor in Mozambique. Beide syntypen zijn verzameld in Bororo, een district in Mozambique.

Neuzen naar eten
Grote olifantspitsmuizen behoren tot de hoogst ontwikkelde insecteneters. Zulke vormen uit de oude orde van de insectivoren laten ons zien hoe de voorouders van alle hogere zoogdieren eruit zagen en hoe ze mogelijk leefden. Veel insectivoren zijn nachtdieren, maar de grote olifantspitsmuis is vooral overdag actief. Op de bosbodem zoekt hij in zijn eentje of in kleine groepen naar insecten, vooral sprinkhanen en rupsen. Het is een nogal nerveus dier, continu in beweging en speurend naar een smakelijk hapje. Bij het speuren komt zijn fijne neus goed van pas. Als een varken wroet hij ermee in de bodem. Daarnaast scharrelt hij tussen stenen en in spleten. De dieren laten elkaar voortdurend weten waar ze zijn door klikkende en piepende geluidjes uit te stoten. Ze hebben een voorkeur voor oevers van droge rivierbeddingen. Die zijn bij voorkeur met struiken begroeid, zodat de dieren zich gemakkelijk schuil kunnen houden. Het zand moet ook los zijn, want ze graven tunnels onder de struiken. Er is altijd een verticale nooduitgang, zodat ze bij gevaar kunnen ontsnappen. Het wijfje werpt na een draagtijd van ongeveer twee maanden een of twee jongen. Ze zijn geheel behaard en lopen meteen levendig rond.

Een oude groep
Insecteneters zijn de primitiefste van de nu levende zoogdieren, maar evolutionair gezien vormen ze geen eenheid: soorten die op elkaar lijken, zijn in de loop van de geologische geschiedenis uit verschillende voorlopers ontstaan, zoals fossielen hebben aangetoond. Met hun huidige specialisatie tonen de insecteneters met hun primitieve kenmerken een doorsnede van de oude ontwikkelingsvormen van de hogere zoogdieren. Olifantspitsmuizen kunnen van geen fossiele of nog levende groep worden afgeleid. Zij vertonen en zekere verwantschap met de toepaja’s (Tupaiidae), waartoe ze vroeger werden gerekend. Omdat toepaja’s tegenwoordig bij de halfapen worden ondergebracht, staan de olifantspitsmuizen apart in het zoölogische systeem. Het is zelfs de vraag of ze wel echt tot de insecteneters gerekend moeten worden. Er zijn veel overblijfselen gevonden van talrijke uitgestorven groepen insecteneters, waarvan verschillende door hun afstammingsgeschiedenis verbonden zijn met andere orden van de hogere zoogdieren. Dit laat zien hoe groot de betekenis van de insecteneters is als stamgroep van de hogere zoogdieren. De meeste insecteneters leven in het verborgene en onze kennis van hoe ze leven in de natuur is vaak gebrekkig en onvolledig. Het is interessant om meer inzicht in het leven van deze oeroude dierenorde op te bouwen, omdat alle zoogdiervormen die we kennen eruit zijn ontstaan.

Meer informatie

Monday, February 28, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark