Potvis
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.5828 |
| Status | Neotype |
| Naam |
Physeter catodon Linnaeus, 1758 Physeter macrocephalus Linnaeus, 1758 |
| Huidige naam |
Physeter macrocephalus Linnaeus, 1758 |
| Verzameld | Middelplaat, Westerschelde |
Reus van de zee
Rond het midden van de achttiende eeuw was er nog weinig bekend over de potvis. Men kende de grootste tandwalvis hoofdzakelijk van gestrande exemplaren. Ook Carolus Linnaeus baseerde zich op strandingen toen hij in 1758 de soort beschreef. Verwarrend genoeg maakte hij de potvis bekend onder twee namen: Physeter catodon en Physeter macrocephalus.
Macrocephalus
Linnaeus (1707-1778) was niet zomaar iemand: hij was de grondlegger van de moderne wetenschappelijke naamgeving en biologen gebruiken zijn systeem nog steeds. Het is dan ook buitengewoon verwarrend, en bovendien in strijd met zijn eigen regels, dat Linnaeus de potvis onder twee namen beschreef in plaats van één.
Tegenwoordig wordt Physeter macrocephalus als de juiste naam voor de soort beschouwd. Het signalement dat Linnaeus van Physeter macrocephalus geeft zien we zonder problemen in deze grootste tandwalvis terug: een enorme kop, die een fiks deel van het lichaam uitmaakt, en tanden die uitsluitend in de onderkaak zitten. Linnaeus heeft de soortnaam (macro = groot, cephalus = hoofd) dus met realiteitszin gekozen.
Potvis in open zee. Foto: cianc Wikimedia.
Verspreiding
Maar weinig dieren op aarde zijn zo wijd verspreid als de potvis. Potvissen komen voor in alle diepe zeeën, van de randen van het pakijs in de poolzeeën op het zuidelijk en het noordelijk halfrond tot de evenaar. Ze leven ook in de Middellandse Zee. Ondiepe of half-afgesloten zeeën als de Oostzee en de Noordzee zijn geen potvisgebied. De dieren (vooral mannetjes) trekken er wel doorheen. Wereldwijd leven er volgens een recente schatting 360.000 potvissen, veel minder dan het vaak genoemde aantal van 1 à 2 miljoen. De jacht op de potvis is verboden, maar er zijn genoeg andere bedreigingen. Chemische vervuiling, verdrinking in visnetten, aanvaringen met schepen, zwerfvuil op zee en toenemende onderwaterherrie: de potvis heeft het niet makkelijk.
Geen holotype
Linnaeus wees geen holotype aan voor Physeter macrocephalus. Er ligt dus geen skelet in een museum waarop Linnaeus zijn beschrijving van de soort baseerde. In zijn tijd was het nog niet gebruikelijk om een soortbeschrijving te koppelen aan een referentie-exemplaar en om dit exemplaar te bewaren ten behoeve van vergelijkend onderzoek. Daar komt bij dat Linnaeus helemaal niet over collectiemateriaal beschikte. Sterker nog: hij had nog nooit een potvis in het echt gezien. Hem restte niets anders dan de soortbeschrijving te baseren op getuigenissen van personen die ooit een stranding hadden meegemaakt, en op tekeningen die van zo'n gestrand dier werden gemaakt.
Potvis, zijaanzicht en onderaanzicht. Illustratie: Rob van Assen, NCB Naturalis.
In 1974 verdiepten twee Nederlandse onderzoekers zich in de potvis. Het waren Antonius Maria Husson (1913-1987), conservator zoogdieren van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, en Lipke Bijdeley Holthuis (1921-2008), conservator kreeftachtigen van hetzelfde museum. Voor zover zij konden nagaan, betroffen alle strandingen waarop Linnaeus zijn beschrijving van Physeter macrocephalus baseerde potvissen. Voor zijn beschrijving van Physeter catodon echter, moet Linnaeus sterk geleund hebben op beschrijvingen van Robert Sibbald (1621-1722) en die waren volgens Husson en Holthuis minder nauwkeurig. Hoewel Sibbald de onderkaak als potvisachtig beschrijft, lijken de overige kenmerken die hij noemt te wijzen op een andere grote tandwalvisachtige, de griend (nu benoemd als Globicephala melas). Voor Husson & Holthuis was het nu een uitgemaakte zaak dat Physeter macrocephalus de juiste naam was voor de potvis.
Lectotype en neotype
Het enige wat volgens Husson en Holthuis nog diende te gebeuren was om met terugwerkende kracht voor beide door Linnaeus bedachte soortnamen een type-exemplaar aan te wijzen, daarbij aangetekend dat zowel Physeter macrocephalus als Physeter catodon exclusief slaan op de potvis en niet op een andere walvissoort. Ze voegden de daad bij het woord. Als lectotype voor Physeter macrocephalus wezen ze een op 3 februari 1598 bij Berkheide, gemeente Katwijk aan Zee gestrand exemplaar aan. Het betreft hier geen skelet of opgezet dier, maar een prent, gemaakt door de beroemde schilder Jacob Matham, bekend om zijn natuurgetrouwe weergave van de werkelijkheid. Mathams gravure laat dan ook onmiskenbaar een potvis zien. Als neotype voor Physeter catodon wezen de biologen een skelet aan van een mannetjespotvis, die in 1937 was gestrand op de Middelplaat in de Westerschelde. Dit skelet wordt bewaard in de wetenschappelijke collectie van NCB naturalis. Het was nodig om ook voor de eigenlijk overbodige naam Physeter catodon een type-exemplaar aan te wijzen. Husson en Holthuis wilden hiermee een eind maken aan mogelijke verwarring van de potvis met de griend, die een duidelijk andere tandwalvissoort vertegenwoordigt.
Meer informatie
- Husson A.M. & L.B. Holthuis 1974. Physeter macrocephalus Linnaeus, 1758, the valid name for the sperm whale. Zoologische Medelingen 48: 205-217. [http://www.repository.naturalis.nl/document/149891].
- Perrin W.F., B. Wursig & J. Thewissen 2008. Encyclopedia of Marine Mammals. Academic Press, New York.
- Website http://www.walvisstrandingen.nl/ [geraadpleegd op 22 februari 2010] http://www.walvisstrandingen.nl/ws/ws/i000279.html
Wednesday, March 2, 2011