Javaanse tijger
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.39216 |
| Status | Lectotype |
| Naam | Felis tigris sondaicus Temminck, 1844 |
| Huidige naam | Panthera tigris sondaica (Temminck, 1844) |
| Verzameld | Java, Indonesië |
Kat in het nauw
Zo'n 1,2 miljoen jaar geleden leefden er al tijgers op Java. Dat blijkt uit fossielen van Panthera tigris trinilensis die opgegraven zijn bij Trinil, de vindplaats waar ook de beroemde Javamens gevonden is. Deze botten behoren tot de oudste tijgerfossielen ter wereld. Ze maken deel uit van de beroemde Dubois-collectie van NCB Naturalis. Panthera t. trinilensis is weliswaar op Java gevonden, maar het is waarschijnlijk niet de voorouder van de Javaanse tijger, P. t. sondaica (Temminck, 1844). Tijdens de ijstijden waren de grote Indonesische eilanden verschillende malen verbonden met het vasteland, waardoor verscheidene diersoorten die eilanden konden bereiken. De nieuwkomers verdrongen vaak de oorspronkelijke fauna. De laatste keer gebeurde dat tijdens het Laat-Pleistoceen, zo'n vijftigduizend jaar geleden. De tijgers die Java toen bereikten, raakten geïsoleerd toen de zeespiegel steeg en Java weer een eiland werd. Uiteindelijk zou deze populatie zich ontwikkelen tot de Javaanse tijger, een vorm die gekenmerkt wordt door zijn dichte strepenpatroon.
Museumcollectie
NCB Naturalis bezit twee opgezette Javaanse tijgers en daarnaast een skelet en tien schedels. Een van de huiden, een jong vrouwtje met een afwijkend strepenpatroon, werd in 1820 of 1821 op West-Java verzameld door het driemanschap Heinrich Kuhl (1797-1821), Johan Cristiaan van Hasselt (1797-1823) en Gerrit van Raalten (1797-1829). Zij behoorden tot de eerste lichting Nederlandse zoölogen die als lid van de Natuurkundige Commissie naar Nederlandsch-Indië werden gestuurd om daar de natuurlijke rijkdommen van de archipel op te sporen. Kuhl en Van Hasselt overleden al enkele maanden na hun aankomst aan tropische ziekten. Het skelet van de tijger in de collectie van NCB Naturalis is ook door hen verzameld. Aan de hand van de huid en het skelet beschreef de eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Coenraad Jacob Temminck (1778-1858), in 1844 de ondersoort Felis tigris sondaica. Het tweede opgezette exemplaar is een prachtig mannetje afkomstig uit de Rotterdamse dierentuin, ingevoerd uit Java in 1920 en in januari 1931 gestorven. De opgezette tijgers zijn helaas niet voor het publiek zichtbaar; ze worden in de speciale, geklimatiseerde collectietoren van NCB Naturalis bewaard, om ervoor te zorgen dat ze goed blijven.
Javaanse tijger, lectotype RMNH.MAM.39216. Foto © NCB Naturalis.
Streepjescode
Tijgers zijn prachtig vanwege hun vacht: op de rug krachtige donkere strepen naast fijne lijnen, op een ondergrond die in kleur verloopt van okergeel tot donkerrood, op de buik en flanken overgaand in wollig wit. De Javaanse tijger heeft iets smallere strepen dan de meer bekende koningstijger P. t. tigris uit India. Het lichaam van tijgers is fors en gespierd. Ze hebben zware klauwen met scherpe sikkelvormige nagels die bij het lopen ingetrokken kunnen worden. De tijgers van Java, Bali en Sumatra zijn kleiner dan de koningstijger, waarvan de mannetjes 180 tot 258 kilo wegen en de vrouwtjes 100 tot 160 kilo. Javaanse tijgers wogen vermoedelijk 100-140 kilo.
Een van de laatst gefotografeerde Javaanse Tijgers in het Ujung Kulon Natuurreservaat op Java. Foto: A. Hoogerwerf, 1938 Foto petermaas
Reservaten boden geen uitkomst
Tijgers komen alleen in Azië voor, vroeger in een veel groter deel dan nu. Nog maar een eeuw geleden leefden ze van Turkije tot Oost-Siberië en van Nepal tot Bali. Aan het begin van de negentiende eeuw kwamen tijgers ook op Java voor. Steeds meer delen van het eiland werden echter in cultuur gebracht en ook werden tijgers meedogenloos bejaagd of vergiftigd. Rond 1940 waren ze alleen nog te vinden in afgelegen bossen en gebergten. Reservaten boden geen uitkomst, omdat tijgers een groot jachtgebied nodig hebben. De kleine reservaten die waren ingesteld lagen te ver uit elkaar; de tijgers konden elkaar niet meer bereiken en de kleine populaties die overbleven waren niet levensvatbaar. In de jaren zestig verdween de tijger zelfs uit het Ujong Kulon reservaat op de westpunt van Java, waar nu nog de laatste Javaanse neushoorns leven. Alleen in het onherbergzame Meru Betiri in Zuidoost-Java wist de tijger stand te houden. In 1972 werd in dit gebied een reservaat ingesteld. Toch was ook Meru Betiri uiteindelijk niet groot genoeg. In 1979 stelde men aan de hand van sporen vast dat er nog hoogstens drie tijgers leefden. Aan het begin van de jaren tachtig werden geen nieuwe waarnemingen meer gedaan, zodat men de conclusie trok dat de Javaanse tijger was uitgestorven.
Verspreiding
Voordat hij uitstierf, kwam de Javaanse tijger voor op het Indonesiche eilland Java. Het lectotype is van dit eiland afkomstig.
Dodelijk gehoor
Tijgers houden van ruimte en jagen solitair. Ze markeren hun honderden vierkante kilometers grote jachtgebied met urine en nagelkrassen op bomen. Ze pakken bij voorkeur groot wild, zoals herten, zwijnen en zelfs zware buffels. Bij het jagen gebruiken ze hun ogen en oren meer dan hun neus. Ze sluipen geruisloos naderbij en vallen plotseling van achteren of van de zijkant aan. Een tijger heeft een formidabel gebit met vier dolkvormige hoektanden van 7-9 centimeter. Met de kortere snijtanden schrapen ze het vlees van de botten. Eens per twee tot vier jaar werpt een tijgervrouwtje jongen. Na een draagtijd van ruim honderd dagen worden twee tot vier welpen geboren. Het vrouwtje zorgt alleen voor de hulpeloze en nog blinde jongen, die bij de geboorte nog geen kilo wegen. Na een zoogtijd van twee maanden beginnen ze voor het eerst vlees te eten. Vanaf een half jaar gaan ze mee op jacht, eerst vooral om de kunst te leren van hun moeder. Na anderhalf jaar staan ze er alleen voor. Pas in hun derde of vierde levensjaar worden de vrouwtjes seksueel actief, de mannetjes nog een jaar later. Tijgers kunnen een leeftijd van 26 jaar bereiken. De tijger is de enige katachtige die van zwemmen houdt.
Meer informatie
- Grzimek B. (ed.) 1975. Grzimek’s animal life encyclopedia. Mammals, I-IV. Van Nostrand Reinhold. New York, vols. 10-13.
- Nowak R.M. & J.L. Paradiso 1983. Walker’s mammals of the world. Volume I & II. 4th ed. Johns Hopkins University Press. Baltimore/ London.
- Temminck C.J. 1842-1844. Aperçu général et spécifique sur les mammifères qui habitent le Japon et les îles que en dépendent: 159, pis. 120. In: P.F. von Siebold, C.J. Temminck & H. Schlegel. Fauna Japonica. Arnz et Socii, Lugduni Batavorum.
Friday, February 25, 2011

