Japanse zeeleeuw
| Gegevens type-exemplaren | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.13443, 13444, 13445, 13446, 13447, 13448, 39225, 39226, 39227 |
| Status | Syntype |
| Naam | Otaria japonica Peters, 1866 |
| Huidige naam | Zalophus japonicus (Peters, 1866) |
| Verzameld | Japan |
Japanse dikhuid is niet meer
De Californische zeeleeuw Zalophus californianus is waarschijnlijk de bekendste vertegenwoordiger van de familie van de zeeleeuwen en pelsrobben. Dit zijn namelijk de dieren die in veel dierentuinen en circussen hun kunstjes vertonen. De nauwverwante Japanse zeeleeuw Z. japonicus leefde tot voor kort aan de kust van Japan op een rotsachtig eilandje. Het gerucht ging dat Koreaanse soldaten het dier als schietschijf gebruikten. Japandeskundige Von Siebold doodde er ongeveer een eeuw eerder negen tijdens een van zijn expedities.
Identificatie leidt tot nieuwe soort
NCB Naturalis heeft negen syntypes van de Japanse zeeleeuw. Dit zijn waarschijnlijk de eerste exemplaren ooit verzameld door de Duitsers Philipp Franz von Siebold (1796-1866) en zijn assistent Heinrich Bürger (1806-1858). Ze verkregen dit materiaal in de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw, tijdens hun verblijf in Japan op de Nederlandse handelspost Dejima, een kunstmatig eiland in de haven van Nagasaki. Von Siebold en Bürger waren in dienst van de VOC. Von Siebold, arts en docent medicijnen, verzamelde natuurhistorisch materiaal uit heel Japan. Het grootste gedeelte van zijn zoölogische verzameling is tussen 1826 en 1829 naar Leiden verscheept en wordt nog altijd bewaard in NCB Naturalis. In eerste instantie identificeerde Hermann Schlegel (1804-1884), de toenmalige directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, de dieren als Stellers zeeleeuw. Later realiseerde hij zich dat dit niet juist was en gaf de naam Otaria japonica. Deze naam heeft hij echter niet gepubliceerd. Zo'n veertig jaar later, in 1866, herkende de toenmalige directeur van het natuurhistorisch museum in Berlijn, Wilhelm Peters (1850-1883), de Japanse zeeleeuw als een aparte soort en publiceerde de door Schlegel gegeven naam voor het eerst officieel.
Japanse zeeleeuw. Foto © NCB Naturalis.
Ontbrekende informatie
De syntypen van de Japanse zeeleeuw zijn niet goed gedocumenteerd en de vindplaats is niet met zekerheid bekend. Dat komt enerzijds doordat het materiaal dat door Von Siebold en later door Bürger werd opgestuurd door elkaar is geraakt, anderzijds doordat de originele labels niet meer bestaan. De bijbehorende aantekeningen en verslagen geven geen opheldering. Zo is met geen mogelijkheid aan te geven of een van de schedels misschien bij een van de huiden hoort.
Verspreiding
De Japanse zeeleeuw is uitgestorven. Behalve in het zuiden van de Japanse zee en bij het eiland Honshu leven zeeleeuwen ook bijvoorbeeld langs de Californische kust en bij de Galapagoseilanden. Deze dieren zijn geografisch van elkaar gescheiden en hebben afzonderlijke namen gekregen. Er zijn tussen deze populaties geen duidelijke onderlinge verschillen, maar de Californische zeeleeuw is groter. De syntypen zijn verzameld in Japan.
Levende schietschijf
Over de geschiedenis van de Japanse zeeleeuw is zeer weinig bekend. De laatste betrouwbare berichten spreken over de aanwezigheid van vijftig tot zestig dieren in 1951 op Takeshima, een rotseiland dat na de Tweede Wereldoorlog onder Koreaans bewind kwam. Vanwege de politieke situatie was het niet mogelijk meer gegevens over deze populatie te krijgen. Het gerucht gaat dat Koreaanse soldaten de zeeleeuwen gebruikten als schietschijf. In de jaren 1960-1970 zijn er enkele keren zeeleeuwen waargenomen in Japanse wateren, maar dat waren mogelijk Californische zeeleeuwen die uit een dierentuin waren ontsnapt. De kolonies op de steile rotsen aan de oostkust van Korea, die door Japanse vissers zijn gemeld, zijn waarschijnlijk van Stellers zeeleeuwen Eumetopias jubatus. Het lijkt uitgesloten dat de Japanse zeeleeuw nog bestaat.
Japanse zeeleeuw, tekening voor Fauna Japonica van P.F. Von Siebold. Illustratie: archief NCB Naturalis.
Gemaakt voor het circus
Zeeleeuwen vormen een groep van zeeroofdieren (Pinnipedia) uit de familie van de oorrobben (Otariidae). Ze hebben een torpedovormig lichaam en vinachtige ledematen. De natte vacht is donker chocoladebruin, droog is hij meer crèmekleurig. Zeeleeuwen hebben kleine uitwendige oorschelpen. Bij alle andere zeeroofdieren zijn er geen oorschelpen zichtbaar. De voorpoten zijn grote zwemflippers waarop ze op het land kunnen leunen. De achterpoten, eveneens zwemvliesachtig, kunnen ze onder hun lichaam naar voren vouwen. Daardoor kunnen ze op het land min of meer viervoetig lopen en zijn ze, in tegenstelling tot zeehonden, 'bruikbaar' in circussen en dierentuinshows. In het water bewegen zeeleeuwen gracieus en snel. Mannetjes zijn veel groter en zwaarder dan vrouwtjes, twee tot drie meter lang en tweehonderd tot driehonderd kilo zwaar. Vrouwtjes halen de twee meter niet en wegen nog geen honderd kilo.
| Zonnen voor zuurstof Zeeleeuwen zijn onderzoekende, speelse dieren. Ze liggen vaak in groepen op het strand. Dit oogt levensgenietend en lui, maar is belangrijk voor de dieren. Ze leven van vis en zijn goede duikers, die een kwartier onder water kunnen blijven. Ze kunnen hun adem inhouden en slaan zuurstof op in hun spieren. Die extra voorraad zuurstof wordt aangevuld als ze op stranden liggen te zonnen. Zeeleeuwen leven in kolonies. Een kolonie bestaat uit een dominante man en tot wel dertig vrouwtjes met hun jongen. Zulke groepen worden harems genoemd, hoewel dat niet helemaal de situatie beschrijft, omdat de vrouwtjes vrij zijn om te gaan waar ze willen. Feitelijk bestaat de harem meer uit een plek, bijvoorbeeld een stuk strand. Dit wordt door een mannetje, ook wel bul genaamd, verwoed verdedigd tegen andere bullen door de hele dag blaffend en brullend langs zijn territorium heen en weer te zwemmen. Ook wordt er regelmatig flink gevochten. Bullen zitten doorgaans vol littekens van beten, met name in hun nek. Er zijn veel mannen zonder harem. Zij verzamelen zich in vrijgezellenkolonies, vaak op minder favoriete plekken. Een territoriale bul heeft nauwelijks tijd om te eten en zal dus uiteindelijk moe en verzwakt raken. Dan neemt een andere bul de harem over. Zo krijgen meerdere mannetjes een kans om zich voort te planten. Na een draagtijd van negen maanden wordt een jong geboren, dat een tot drie jaar wordt gezoogd. Drie weken na de bevalling is een vrouwtje al weer vruchtbaar. |
Meer informatie
- Grzimek B. (ed.) 1975. Grzimek’s animal life encyclopedia. Mammals, I-IV. Van Nostrand Reinhold. New York.
- Nowak R.M. & J.L. Paradiso 1983. Walker’s mammals of the world. Volume I & II. Johns Hopkins University Press. Baltimore and London.
- Peters W. 1866. Hr. W. Peters gab einen Nachtrag zu seiner Abhandlung über die Ohrenrobben, Otariae. Monatsberichte der Königlichen Akademie der Wissenschaften zu Berlin 1866: 665-681.
Friday, February 25, 2011


