Grote spleetneusvleermuis
Gegevens type-exemplaar
Collectie
NCB Naturalis
Nummer
RMNH.MAM.27348
Status
Holotype
Naam
Nycteris grandis Peters, 1865
Huidige naam
Nycteris grandis Peters, 1865
Verzameld
Elmina, Ghana
Goudmijn voor nieuwe diersoorten
Aan de Goudkust - het huidige Ghana - was Nederland in het bezit van een handelsversterking: Fort Elmina. Dit bolwerk vormde van 1637 tot 1871 het centrum van de West-Afrikaanse goud- en slavenhandel. Nederlandse ambtenaren die in het fort werkten, trokken in hun vrije tijd de binnenlanden in, op zoek naar bijzondere diersoorten. Soms werd dit van hogerhand opgedragen om de natuurkennis van de Nederlandse overzeese gebieden te vergroten. Ook vanuit natuurhistorisch oogpunt bleek de omgeving van Elmina een goudmijn. De grote spleetneusvleermuis is een van de vele nieuwe diersoorten die er ontdekt werden.
Ambtenaren op expeditie
Ambtenaren die in Fort Elmina dienden, kregen soms de instructie om naast de uitvoering van hun dagelijkse taken ook natuurhistorische voorwerpen in de omgeving te verzamelen. De Gouverneur van Elmina, Cornelis Johannes Marius Nagtglas (1814-1897), ging zeer voortvarend te werk en offerde veel van zijn vrije tijd op voor deze taak. In de loop van de tijd bracht hij zeer belangrijke verzamelingen bijeen en wist hij ook als eerste westerling een exemplaar van de grote spleetneusvleermuis te pakken te krijgen. Er zijn meerdere zendingen van Nagtglas in Nederland ontvangen; zijn laatste scheepslading met natuurhistorische objecten bereikte op 10 november 1862 het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden.
Niet weggooien!
De grote spleetneusvleermuis was een van de meegekomen dieren. Op het label, geschreven door de toenmalige directeur Fredericus Anna Jentink (1844-1913), staat als verzameldatum 1863. Waarschijnlijk geeft het label het jaartal weer waarop het exemplaar werd geregistreerd en officieel werd ingevoegd in de museumcollectie. De vleermuis was immers al in 1862 in Nederland aangekomen. Pas in 1865 werd de vleermuis wetenschappelijk beschreven. Dat gebeurde door de Duitse zoöloog Wilhem Carl Hartwig Peters (1815-1883). Hij kende aan het dier de wetenschappelijke naam Nycteris grandis toe, een benaming die nog steeds geldig is. Het door Nagtglas verzamelde exemplaar werd zo dus tot holotype gebombardeerd. Het is fraai opgezet, met gespreide vleugels en met opgeheven kop. In deze positie is de diepe spleet tussen de ogen goed te zien. Tegelijkertijd is het wel een kwetsbare houding, want de botjes van de vingers en vooral vleugelhuid zijn zeer fragiel. Door veelvuldig oppakken en weer terugzetten heeft het exemplaar in de loop van de jaren heel wat beschadigingen opgelopen. Bovendien lijkt het alsof de dunne huid her en der door vraat van insecten is aangetast. Desondanks mag de vleermuis niet worden weggegooid. Het is immers als holotype onvervangbaar voor de wetenschap.
Unieke T-vormige staart
De grote spleetneusvleermuis is een van de dertien soorten spleetneusvleermuizen die deel uitmaken van het geslacht Nycteris. Ze danken hun naam aan een grote spleet die over het voorhoofd naar de neusgaten en de bovenlip loopt. Aan weerszijden van de spleet bevinden zich opvallende kwabben. Soms ligt de spleet verscholen onder de vacht of achter het neusblad.
Holotype van Nycteris grandis. RMNH.MAM.27348. Foto © NCB Naturalis.
De grote spleetneusvleermuis is een vrij goede vlieger. Zijn vleugels zijn breed, voor veel draagvermogen in de lucht. De oren zijn groot en de staart lang. Een bijzonderheid is dat de staart eindigt in een T-vorm van kraakbeen. Zo'n staartuiteinde is bij geen andere zoogdiergroep aanwezig. Weliswaar hebben walvissen ook een T-vormige staart, maar die is gevormd uit bindweefsel. De vacht van de vleermuis bestaat uit lange zijdezachte haren, bruin tot grijs van kleur. Grote spleetneusvleermuizen zijn heel klein: veel langer dan negen centimeter worden ze niet, bij een gewicht van hoogstens dertig gram.
Verspreiding
Spleetneusvleermuizen komen voornamelijk voor in Afrika,
maar er zijn ook enkele soorten in Zuidoost-Azië. De grote
spleetneusvleermuis is te vinden van Senegal tot Congo en
van Kenia tot Mozambique. De soort is niet bedreigd, maar heeft wel te
lijden van de kap van grote bomen. Het holotype is gevonden in Elmina, Ghana.
Grote eters
Hun eetlust daarentegen is wel groot. Nogal traag maar zeer behendig vliegend jagen ze op motten, krekels, sprinkhanen en spinnen. Van in gevangenschap gehouden exemplaren weten we dat ze ook grotere prooien eten, zoals andere vleermuissoorten en kikkers. Dit is ook weleens in het wild waargenomen. Er zijn zelfs dieren gezien die vogels en vissen vingen. Zoals alle vleermuizen, maken de dieren gebruik van echolocatie om zich in het donker te oriënteren en de plaats van hun prooi te bepalen. Tijdens de jacht stoten ze een zeer zacht gefluister uit. Mogelijk zorgen de kwabben rond de spleet voor versterkerking of juist voor een betere ontvangst van de teruggekaatste echo's. Eenmaal gevangen, wordt een prooi naar een vaste eetplaats gedragen en vervolgens opgegeten.
Over de voortplanting is weinig bekend. Uit onderzoek in Gabon weten we alleen dat jongen worden geboren in april, augustus en november. Het observeren van grote spleetneusvleermuizen is gewoon lastig. Ze zijn moeilijk te zien omdat ze zich vooral ophouden in dichtbegroeid bos. Desondanks weet men dat de dieren solitair of in paren en soms in kleine groepen leven. Rusten doen ze in holle bomen, grotten, rotsholen, ruïnes, gebouwen of zelfs in holen van aardvarkens.
|
Goudmijn aan de Goudkust
Het in 1482 gebouwde Portugese fort São Jorge da Mina was de eerste Europese Nederzetting in West-Afrika. Mina betekent mijn. Het fort was dan ook in eerste instantie bedoeld om de goudmijnen rond het fort te beschermen. Daarnaast diende het als opslagplaats - het was immers streng bewaakt. In 1637 werd de vesting op de Portugezen veroverd door de Hollanders en omgedoopt tot Fort Elmina. De eeuwen erna vormde de handelspost het centrum van de (slaven)handel van de West-Indische Compagnie. |
Meer informatie
-
Nowak R.M. (ed) 1991. Walker's Mammals of the World. Johns Hopkins University Press, Baltimore. Vol 1.
- Peters W. 1865. Hr. W. Peters las über Flederthiere (Vespertilio soricinus Pallas), Choeronycteris Lichtenst., Rhinophylla pumilio nov. gen., Artibeus fallax nov. sp., A. concolor nov. sp., Dermanura quadrivittatum nov. sp., Nycteris grandis n. sp.. Monatsberichte der Königlichen Akademie der Wissenschaften zu Berlin 1865: 351-359.
- Website www.engelfriet.net/Alie/Aad/elmina1.htm [geraadpleegd op 22 februari 2010]
Monday, February 28, 2011

