Japanse das
| Gegevens type-exemplaren | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.39194, 39195, 39196, 39197, 39198, 39199 |
| Status | Syntype |
| Naam | Meles anakuma Temminck, 1844 |
| Huidige naam | Meles meles anakuma (Temminck, 1844) |
| Verzameld | Japan |
De oosterse variant van onze das
De Japanse das is een ondersoort van de Europese das. Westerse wetenschappers raakten met de Japanse das bekend door de verzamelactiviteiten van Philipp Franz von Siebold. In de eerste helft van de negentiende eeuw had deze arts als enige westerling toestemming van de Japanse overheid om natuurhistorische objecten te verzamelen. Von Siebolds collectie, die zich in NCB Naturalis in Leiden bevindt, is een bijna complete momentopname van de Japanse dierenwereld. Om die reden komen Japanse wetenschappers regelmatig naar het museum om onderzoek te doen.
Von Siebold-collectie
NCB Naturalis bezit maar liefst zes syntypen van de Japanse das: drie opgezette dieren met de bijbehorende schedel, twee losse huiden, en een losse schedel. Ze zijn allemaal afkomstig uit de zogenaamde Von Siebold-collectie, de omvangrijke verzameling Japanse naturalia die is aangelegd door de Duitse arts in Nederlandse dienst Philipp Franz von Siebold (1796-1866). Ook Heinrich Bürger (1881-1942), assistent en later opvolger van Von Siebold, heeft bij de totstandkoming van de collectie een rol gespeeld. Von Siebold diende als geneesheer bij de Verenigde Oostindische Compagnie. Hij was gestationeerd op de Nederlandse handelspost Dejima, een kunstmatige eiland in de baai van Nagasaki. In ruil voor kennis over de Westerse wetenschap verzamelde Von Siebold veel informatie over Japan. Ook huurde hij Japanse jagers in om zeldzame dieren in bezit te krijgen. De ruim tienduizend verschillende diersoorten die Von Siebold in de loop van jaren bijeenbracht liet hij in 1830 verschepen naar Nederland. Daar vormden ze de basis van de collectie van het in 1820 te Leiden opgerichte Rijksmuseum van Natuurlijke Historie.
Terug in Leiden slaagde Von Siebold erin om tweeduizend natuurhistorische objecten te beschrijven. Het resterende deel werd onder handen genomen door Coenraad Jacob Temminck (1777-1858), Hermann Schlegel (1804-1884) en Wilhelm de Haan (1801-1855). Temminck legde zich toe op de landzoogdieren en beschreef in 1844 op basis van de door Von Siebold verscheepte huiden en schedels Meles anakuma als nieuwe soort. Door Temminck werd de Japanse das dus nog als een zelfstandige soort beschouwd, niet als een ondersoort.
De beschrijving van Von Siebolds collectie verscheen tussen 1833 en 1850 in een reeks monografieën onder de naam Fauna Japonica. Dit overzichtswerk is voor de kennis van de Japanse dierenwereld nog steeds van groot belang. De toestemming die Von Siebold destijds van de Japanse keizer kreeg om te verzamelen, blijkt voor het huidige Japan een schot in de roos te zijn geweest. Japan had toen geen wetenschappelijke traditie en was het niet geïnteresseerd in het documenteren van de eigen flora en fauna. Alle kennis over de vroegere dieren- en plantenwereld moet Japan dan ook halen uit de Fauna Japonica en uit de omvangrijke verzamelingen van Von Siebold. Geen wonder dat Japanners graag naar Leiden komen om te zien hoe hun land er onder de Shoguns uitzag.
Japanse das. Syntype. Foto © NCB Naturalis.
Kleine das
Zoals alle dassen, heeft ook de Japanse das een gedrongen en krachtig gebouwd lichaam met korte poten. Met hun langwerpige lichaam kunnen Japanse dassen zich gemakkelijk door nauwe gangenstelsels wurmen, die ze met hun sterke voorpoten graven. Ze hebben een grijze vacht en de voor dassen kenmerkende zwarte en witte strepen op de kop en in de nek. Japanse dassen zijn 50-80 centimeter lang en hebben een staartlengte van 14-20 centimeter. Met hun gewicht van 6-17 kilo behoren ze tot de kleinere dassen.
Verspreiding
De Japanse das is endemisch op de eilanden Honshu, Kyushu en Shikoku. Deze ondersoort komt dus nergens anders voor. Ook de syntypen zijn op de genoemde eilanden verzameld.
Gesteld op privacy
De Japanse das leeft bij voorkeur in bossen en in het open veld. Hij schuwt de nabijheid van mensen niet. Het is een echte omnivoor met een gevarieerd menu. Regenwormen, kevers, bessen en vruchten: de Japanse das vindt alles even lekker. Dadelpruimen, de vruchten van de lotusboom, vormen een favoriete lekkernij. Zijn er voldoende van deze aan de kaki verwante vrucht te vinden, dan laten de dassen zelfs de sappigste regenworm staan. De dassen zijn vooral ’s nachts actief. Slechts af en toe wagen ze zich overdag buiten hun hol. In de winter houden ze een aantal maanden winterslaap, diep weggedoken in hun ondergrondse onderkomen. Het is hetzelfde hol waarin ze de rest van het jaar gedurende de dag verblijven. Vrouwtjes zijn vanaf hun tweede jaar geslachtsrijp. In het voorjaar werpen ze twee tot drie jongen, die ruim een jaar bij hun moeder blijven. Mannetjes blijven zelfs twee jaar thuis wonen. Daarna verlaten ze het hol en gaan ze alleen op pad. Japanse dassen leven nog meer op zichzelf dan hun Europese soortgenoten, die vaak hechte groepen vormen van 2-23 individuen. Japanse dassen zijn echte einzelgängers en vormen zelfs geen paartjes. Alleen tijdens het paringsseizoen heeft een mannetje twee tot drie vrouwtjes waarmee hij nakomelingen krijgt.
Scheerkwasten
In Japan is de das nog steeds een vrij algemene diersoort. De populatie laat echter wel een dalende trend zien. In de afgelopen vijfentwintig jaar is hij met zo'n zeven procent afgenomen. Uitbreiding van de landbouw en competitie met geïntroduceerde wasberen vormen serieuze bedreigingen. Ook wordt er op de dieren gejaagd. De vacht heeft een zekere waarde: de haren zijn zeer geschikt voor het maken van borstels en scheerkwasten en sommige jagers versieren er hun hoeden mee. Het is nog niet te laat, maar deze praktijk kan de Japanse das uiteindelijk de das om doen.
Meer informatie
- Wilson D.E. & R.A. Mittermeier (eds.) 2009. Handbook of the Mammals of the World. Vol. I. Carnivores. Lynx Edicions, Barcelona.
- Nowak R.M. & J.L. Paradiso 1983. Walker’s mammals of the world. Johns Hopkins University Press. Baltimore/London.
- Temminck C.J. 1842-1844. Aperçu général et spécifique sur les mammifères qui habitent le Japon et les îles que en dépendent: 159, pis. 120. In: P.F. von Siebold, C.J. Temminck & H. Schlegel. Fauna Japonica. Arnz et Socii, Lugduni Batavorum.
Monday, February 28, 2011
