Temmincks schubdier
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.39311 |
| Status | Holotype |
| Naam | Manis temminckii Smuts, 1832 |
| Huidige naam | Smutsia temminckii (Smuts, 1832) |
| Verzameld | Lattaku, Kaapprovincie, Zuid-Afrika |
Levend harnas
Temmincks schubdier gaat goed beschermd door het leven. Zijn opvallend gepantserde uiterlijk was voor de Nederlandse arts H.B. van Horstok in de jaren dertig van de negentiende eeuw reden om vanuit Zuid-Afrika een exemplaar op te sturen naar het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Het dier is vernoemd naar de oprichter van het museum, Coenraad Jacob Temminck.
Ontdekking
Temmincks schubdier werd pas in 1832 als soort beschreven. Ongetwijfeld was men in Zuid-Afrika al veel langer bekend met deze opvallende verschijning. Hoe dan ook, de eerste Europeaan die met een wetenschappelijk oog naar het schubdier keek was H.B. van Horstok. Geïnteresseerd als hij was in de natuurlijke historie van Zuid-Afrika, stuurde deze Nederlandse arts regelmatig voorwerpen naar het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Hij deed dat vanuit zijn woonplaats Kaapstad. Of Van Horstok het schubdier zelf verzameld heeft is niet bekend. Het enige dat we weten is dat het afkomstig moet zijn uit de omgeving van Lattaku (Latakou). In Leiden werd het exemplaar wetenschappelijk onderzocht door Pater Erwin Smuts, die destijds als zoogdierconservator bij het museum werkte. Als eerbetoon aan de eerste directeur en oprichter van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie vernoemde hij het schubdier naar Coenraad Jacob Temminck (1778-1858).
Holotype van Temmincks schubdier. RMNH.MAM.39311. Foto © NCB Naturalis.
Het geslacht Manis, waartoe Smuts het schubdier rekende, is in 1863 door de bioloog Gray omgedoopt in Smutsia. Toch hangen niet alle biologen deze indeling aan. Volgens sommigen moet Smutsia gezien worden als een subgenus van Manis; in dat geval luidt de juiste wetenschappelijke naam Manis (Smutsia) temminckii. Met zijn grote hoornen schubben, die als dakpannen over elkaar liggen, heeft Temmincks schubdier veel weg van een vervaarlijk monster uit de oertijd. Hoe agressief de bepantsering ook oogt, het dier dat eronder zit is verrassend zachtaardig. Op de onderzijde van het lichaam zitten geen schubben en dat maakt hem kwetsbaar. Daarom rolt hij zich bij gevaar op tot een bal en zet zijn scherpgerande schubben als extra wapen omhoog. De buik wordt afgeschermd door de lange staart. Op zo'n bal krijgen hyena's en leeuwen met hun gebit geen vat en na een paar pogingen haken ze gefrustreerd af. Erg eetlustopwekkend is Temmincks schubdier trouwens niet. Hij heeft namelijk een speciale klier die een walgelijk riekende vloeistof afscheidt die zelfs hyena's te gortig is.
Graven voor je leven
Het schubdier is een uitstekende graver. Zijn korte en krachtige voorpoten zijn voorzien van scherpe klauwen waarmee hij zelfs keiharde termietenheuvels kapot kan maken. De klauwen hebben ook een nadeel: ze zitten tijdens het lopen vervelend in de weg. Ze mogen de grond niet raken anders worden ze bot. Temmincks schubdier loopt daarom op zijn knokkels, maar een snelle voortbeweging is zo niet mogelijk. Gelukkig zijn de klauwen van de achterpoten veel korter. De achterpoten kunnen gewoon met de zolen de grond raken. Temmincks schubdier maakt daar handig gebruik van door soms een stukje op zijn achterpoten te lopen. Hij ondervindt dan prettige steun van zijn staart.
Verspreiding
Temmincks schubdier leeft op de Afrikaanse savannen en
steppen, van Tsjaad en Soedan tot Namibië en Zuid-Afrika. Hoewel de
dieren verspreid over een groot gebied voorkomen, worden ze zelden
waargenomen. Ze worden bejaagd voor de schubben en het lijkt erop dat de
aantallen achteruit gaan. Het holotype is afkomstig uit Zuid-Afrika.
Tandenloos
De ogen zijn klein, een typisch kenmerk van een nachtdier. Om bescherming te bieden tegen beten en zuur van mieren en termieten, zijn de oogleden opvallend dik. Zijn weg vindt het schubdier vooral met zijn goed ontwikkelde reukzin. Hij neust met zijn lange snuit in holletjes en gangetjes waarin zich insecten verborgen houden. Het oplikken van mieren en termieten is dankzij de lange kleeftong een koud kunstje. Kauwen is op dit zachte voedsel niet nodig en daarom is de bek tandenloos.
Holbewoner
Het grootste deel van de tijd brengen de dieren onder of op de grond door; slechts af en toe klimmen ze in bomen. In de ondergrondse gangen, waar ze zich overdag schuilhouden, werpen ze hun jongen. Meestal wordt een jong per keer geboren. Het moederdier blijft bij haar jong om het te zogen en te beschermen. Als ze zich voor het slapen oprolt, slaat ze haar staart om het jong heen en rolt het mee naar binnen. Zo kan het veilig slapen. Zodra ze volwassen zijn, gaan de dieren hun eigen weg. Soms leven deze schubdieren in paren.
Meer informatie
Monday, February 28, 2011
