Goudkopleeuwaapje
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.MAM.17691 |
| Status | Syntype |
| Naam | Hapale chrysomelas Kuhl, 1820 |
| Huidige naam | Leontopithecus chrysomelas (Kuhl, 1820) |
| Verzameld | Brazilië |
Aap met gouden manen
De avontuurlijk ingestelde Duitse prins von Wied zu Neuwied was op zijn natuurhistorische reizen al veel bijzonders tegengekomen, maar een aap met het voorkomen van een leeuw, inclusief gouden manen, had hij nog nooit gezien. De ontmoeting met dit dier vormde een van de hoogtepunten van zijn ontdekkingstochten door de Braziliaanse jungle.
Gevaarlijk terrein
Tijdens zijn ontdekkingstochten tussen 1815 en 1817 in de Braziliaanse oerwouden ging Von Wied zu Neuwied (1782-1867) gevaren niet uit de weg. De Duitse etnoloog en natuurvorser ondernam expedities in gebieden waar indianenstammen leefden die nog nooit een blanke hadden gezien. De prins heeft uitvoerige reisverslagen nagelaten, waardoor we zijn reizen kunnen herbeleven. Zo weten we dat hij een expeditie ondernam van de Belmonterivier noordwaarts naar de monding van de rivier Rio dos Ilheos en verder landinwaarts naar het Sertamgebergte. In dit gebied leefden de Patachos- en Camacan-indianen, die hem niet vriendelijk ontvingen. Toch wilden ze voor een slok brandewijn en wat meel wel met hem op jacht. Tijdens deze jacht ontdekte de prins de goudkopleeuwaapjes en wist hij exemplaren te bemachtigen.
Ruil
Geprepareerd en wel kwamen de aapjes terecht in het natuurhistorisch museum van Wenen. In 1820 benoemde de Duitse natuuronderzoeker Heinrich Kuhl (1796-1821) Hapale chrysomelas als nieuwe soort, op basis van de exemplaren die door de prins waren verzameld. Kuhl was assistent van Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. De beschrijving in 1820 kan erop duiden dat dit museum al spoedig na Wieds terugkeer in Europa in het bezit kwam van een goudkopleeuwaapje. Een andere mogelijkheid is dat Kuhl de aapjes in het natuurhistorisch museum van Wenen onderzocht. Een vroege ruil tussen de natuurhistorische musea van Wenen en Leiden is namelijk in tegenspraak met de gegevens op het label. Hierop staat vermeld dat het goudkopleeuwaapje pas in 1892 in Leiden arriveerde.
Lange vingers
Het door de prins ontdekte goudkopleeuwaapje is de grootste van de leeuwaapjes (Callithrichidae). De kop is getooid met glanzende goudoranje tot goudgele manen, die het onbehaarde bleek purperviolette gezichtje omranden. Ook de voorpoten en de bovenkant van de staart zijn goudkleurig. De donkere vacht is zacht als zijde en glinstert als goud als er licht op valt. Door de opvallende beharing lijkt het aapje een mini-leeuw. Het dier is klein: langer dan 33 centimeter wordt hij niet, bij een gewicht van maximaal 800 gram. Daarentegen is de staart opvallend lang (meer dan veertig centimeter). Verder kenmerkt het dier zich door lange en smalle handen en voeten. De extreem verlengde vingers zijn net zo lang als de onderarm. Heel bijzonder is dat de drie middelste vingers vanaf de basis tot aan het middelste kootje door een vlies met elkaar verbonden zijn.
Syntype van goudkopleeuwaapje. RMNH.MAM.17691. Foto © NCB Naturalis.
Zuid-Amerikaanse leeuwaapjes - ook wel klauw- of dwergaapjes genoemd - behoren tot de breedneusapen. Deze groep apen is beperkt tot de nieuwe wereld. Als gevolg van een breed neustussenschot staan hun neusgaten zijwaarts gericht. Apen van de oude wereld behoren tot de smalneusapen: hun neusgaten zijn voorwaarts en omhoog gericht. Duim en grote teen zijn bij de apen van de oude wereld opponeerbaar, wat wil zeggen dat ze tegenover de overige vingers en tenen gebracht kunnen worden. Klimmen in bomen en het oppakken van voorwerpen worden zo veel eenvoudiger. Bij leeuwaapjes is de duim niet opponeerbaar, maar de grote teen wel. Aan de tenen en vingers zitten klauwen - met uitzondering van de grote teen, die van een gewone nagel is voorzien. Leeuwaapjes onderscheiden zich van andere hogere primaten door tastharen op de pols.
Verspreiding
Goudkopleeuwaapjes leven in de Braziliaanse tropische
bossen in het zuidoostelijke deel van de kuststaat Bahia. Hier zijn ook de syntypen verzameld. Door de
ongelooflijk snelle ontbossing worden ze met uitsterven bedreigd. De
ontstane cultuurlandschappen zijn arm aan bomen en dus voor de apen
onneembare barrières. Daardoor raken soortgenoten van elkaar gescheiden.
Boombewoners
Goudkopleeuwaapjes zijn volledig aangepast aan het leven in bomen. Op de grond komen ze zelden. Door hun lange vingers en scherpe klauwen kunnen ze tredzeker over takken bewegen. De dieren zijn overdag actief. Ze zoeken voedsel in met klimplanten, lianen, bromelia’s, orchideeën en korstmossen bedekte woudreuzen. Hier vinden ze een rijk gevulde supermarkt aan vruchten, noten, bladeren, knoppen, maar ook eiwitrijk voedsel, waaronder insecten, spinnen, kikkers, hagedissen en eieren. Met hun lange vingers kunnen ze prooien pakken die zich in diepe spleten verschuilen. Goudkopleeuwaapjes leven in familiegroepen. Ze zijn vrij moeilijk waar te nemen, maar maken hun aanwezigheid kenbaar met een lang aangehouden roep. Daarmee geven ze ook aan tot waar hun territorium zich uitstrekt. Vaak draagt een vaderdier een jong op zijn rug. Per worp worden gewoonlijk twee jongen geboren, in tegenstelling tot andere apen, die altijd maar een jong per keer krijgen. Twee nakomelingen dragen redt een vaderdier niet. Zoons die tijdens een eerdere worp ter wereld zijn gekomen, helpen daarom een handje mee.
Meer informatie
-
Eisenberg J.F. & K.H. Redford 1999. Mammals of the Neotropics Central America. Volume 3: Ecuador, Boliva and Brazil. Chicago Univ. Press, Chicago, IL.
- Kuhl H. 1820. Beschreibung einiger zum Theil neuer Marsupialien, Gliren und Falculaten des Illiger. In: Beiträge zur Zoologie und Vergleichenden Anatomie. Erste Abtheilung. Beiträge zur Zoologie: 61-74. Verlag der Hermannschen Buchhandlung, Frankfurt am Main.
Monday, February 28, 2011

