Grijze vieroogopossum

Grijze vieroogopossum_Key Visual_2.jpg

Gegevens type-exemplaren  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.MAM.25421a, 25421b, 25421c
Status Lectotype, paralectotypes
Naam Didelphis Opossum Linnaeus, 1758
Huidige naam Philander opossum (Linnaeus, 1758)
Verzameld Suriname

Surinaamse buidelrat van Linnaeus

Al ziet hij er wat verfomfaaid uit, de grijze vieroogopossum van NCB Naturalis, toch is het een van de meest gekoesterde schatten van het museum. Dat komt omdat niemand minder dan Linnaeus de soort heeft beschreven aan de hand van dit individu. De beroemde grondlegger van de moderne wetenschappelijke naamgeving deed dat ruim zestig jaar voor de oprichting van het Leidse museum, dat toen nog Rijksmuseum van Natuurlijke Historie heette. Toen de opossum na omzwervingen in verschillende collecties in Leiden terechtkwam, was elke verwijzing naar Linnaeus verdwenen. Pas in 1976 werd ontdekt dat dit 'zijn' opossum was. Zodoende verwierf het exemplaar alsnog de typestatus.

Exotische dieren als grondstof voor medicijnen
De vieroogopossum van NCB Naturalis is verzameld door de Amsterdamse apotheker Albertus Seba (1665-1736). Seba liep steevast de schepen van de compagnieën af als ze van hun verre reizen terugkeerden in de haven van Amsterdam. De apotheker had goede contacten met de schepelingen. Zij namen allerlei dingen voor hem mee uit exotische landen, zoals huiden en gedroogde planten. Seba stampte de naturalia fijn om er medicijnen van te bereiden. Van een schip dat net uit Suriname was teruggekomen, betrok hij de vieroogopossum.

Philander Opossum_Seba 555
Gravure van de opossum, uit de Thesaurus van Seba.

Ambitieus meesterwerk
In 1716 kreeg Seba de kans om zijn collectie te verkopen. De Russische tsaar Peter de Grote, die in Amsterdam verbleef om het scheepsbouwvak te leren op de werven van de Verenigde Oostindische Compagnie, kocht de verzameling voor het vorstelijke bedrag van 15.000 gulden. Vanaf
1728 begon Seba met het aanleggen van een nieuwe collectie. Ook werkte de apotheker aan een ambitieuze publicatie: Locupletissimi rerum naturalium thesauri accurata Descriptio (meestal kortweg Thesaurus genoemd). In deze catalogus beschreef hij maar liefst 446 diersoorten. Vele werden afgebeeld in realistisch uitgevoerde platen. Seba schreef de teksten en tientallen kunstenaars verzorgden het grafische werk. Het overzicht verscheen tussen 1734 en 1765 in vier delen. Een van de soorten die Seba beschreef was de vieroogopossum. De beschrijving was gebaseerd op het exemplaar dat hij in de haven van Amsterdam op de kop had getikt. Het vrouwtje is op de plaat onder meer zittend afgebeeld: een van de jongen steekt met zijn kopje uit de buidel. Seba beschreef het dier als Philander, maar kende nog geen uit twee delen samengestelde naam toe. Het zou echter niet lang duren voor de opossum zo'n tweedelige wetenschappelijke naam kreeg.

Bezoek uit Zweden
In 1735 bezocht de Zweedse plantkundige
Carolus Linnaeus Nederland. Linnaeus (1707-1778) was met een nog ambitieuzer project bezig dan Seba. Hij werkte aan Systema Naturae: een overzicht van alle planten- en diersoorten van de wereld. Om de destijds bekende biodiversiteit te inventariseren en te beschrijven bezocht Linnaeus overal in Europa musea en privéverzamelingen. Natuurlijk ging hij ook bij Seba langs om diens geprepareerde dieren te bestuderen. Seba's verzameling gold immers als een van de belangrijkste van ons land. Dat het geen vergeefse moeite was, blijkt uit de eerste druk van Systema Naturae, die in 1735 verscheen. Linnaeus noemt hierin maar liefst 549 soorten die hij in Seba's verzameling had aangetroffen. Een daarvan was de vieroogopossum, door Linnaeus beschreven als Didelphis Opossum.

Type gemist
Na Seba's dood in 1752 werd zijn collectie geveild. De met veel moeite bijeengebrachte voorwerpen raakten verspreid over verschillende Europese verzamelingen. De vieroogopossum kwam terecht
bij de Utrechtse verzamelaar Theodoor van Lidth de Jeude (1788-1863), als hoogleraar Zoölogie verbonden aan de Universiteit van Utrecht. Toen hij overleed werd ook zijn verzameling geveild en opgekocht door verschillende privéverzamelaars en musea. Zo belandde de opossum in 1866 in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Dat Linnaeus op basis van dit exemplaar de soort had beschreven wist niemand meer. Misschien was het niet genoteerd op het label, als er al ooit een label aan het dier vast had gezeten. In ieder geval determineerde de zoöloog Fredericus Anna Jentink (1884-1913) de soort niet als Didelphis opossum maar als Didelphis quica, een Zuid-Amerikaanse opossum die in 1824 was beschreven door zijn voorganger C.J. Temminck.

Toch van Linnaeus
Pas in 1976 ontdekte Philip Hershkovitz, onderzoeker van het Field Museum of National History in Chicago, dat Jentink fout zat. Hershkovitz determineerde het exemplaar als Didelphis opossum en aangezien men wist dat het afkomstig was uit de oude collectie van Seba, trok hij de conclusie dat dit het dier was dat Linnaeus had gebruikt voor de soortbeschrijving. Ineens besefte het museum een bijzondere schat in huis te hebben. Het volwassen vrouwtje werd als lectotype van de soort benoemd en twee van de drie jongen in de buidel kregen de status van paralectotype. Omdat Linnaeus het andere jong niet gezien heeft en het dus niet zijn beschrijving noemt, is het geen type.

Extra ogen 
De grijze vieroogopossum is een Zuid-Amerikaanse buidelrat. De Nederlandse naam is afgeleid van de kleur van de vacht en van de witte plek boven elk oog, waardoor het lijkt of het dier niet twee maar vier ogen heeft. Het 25 tot 35 centimeter lange lichaam is slank en de kop groot en ratachtig. Ook de dikke, ronde en grotendeels onbehaarde staart doet aan een rat denken. Opvallend zijn de naakte oren. Mannetjes zijn meestal iets groter dan vrouwtjes.

Grijze vieroogopossum_555_2.jpg

Philander opossum. Lectotype RMNH.MAM.25421a. Foto © NCB Naturalis.

Suriname.png

Verspreiding
De vieroogopossum komt voor van het zuiden van Mexico tot het zuiden van Argentinië. Het lectotype is gevonden in Suriname.

Vechtersbaasje
Vieroogopossums leven in tropische regenwouden. Ze zijn zowel 's nachts als overdag actief. Veel contact met elkaar hebben ze niet, behalve in de paartijd. De dieren zijn ook niet erg verdraagzaam. Vaak vinden tussen soortgenoten heftige gevechten plaats. Wat voedsel betreft zijn ze niet kieskeurig. Fruit, bladeren, zaden, insecten, kikkers, vogels, kleine zoogdieren: alles gaat even gemakkelijk naar binnen. Hoewel vieroogopossums uitstekend kunnen zwemmen en klimmen, speelt hun leven zich voornamelijk op de bosbodem af. Voor hun veiligheid bouwen ze ronde nesten laag in bomen en soms graven ze holen in de grond. Ze wagen zich niet ver van het nest; als ze bedreigd worden zoeken ze er toevlucht. Wie te laat is, verweert zich met luid krijsen en sissen.

De voortplanting is afhankelijk van het seizoen. Tijdens het regenseizoen is er een overvloed aan fruit en kunnen er meer jongen grootgebracht worden. Als er tijdens de droge tijd weinig te eten is, wordt een vrouwtje verminderd vruchtbaar of kan ze in menopauze raken. Jongen die te weinig voedsel krijgen, sterven soms in de buidel. Gemiddeld dragen vieroogopossums drie jongen in de buidel. Het vrouwtje in de collectie van Naturalis heeft er ook drie bij zich. Meestal verlaten de jongen pas na zestig dagen de buidel. Ze blijven daarna in het nest, waar hun moeder hen nog acht tot vijftien dagen zoogt.

 Meer informatie

Friday, February 25, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark