Indische bruinvis

neophocaena-phocaenoides_EOL_key visual.jpg

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.MAM.23079
Status Holotype
Naam Delphinus melas Schlegel, 1841
Huidige naam Neophocaena phocaenoides (G. Cuvier, 1829)
Verzameld Nagasaki, Kyūshū, Japan

Gladde rug

Bruinvissen in de Nederlandse kustwateren zijn te herkennen aan hun driehoekige, ietwat stompe rugvin. De Indische bruinvis, die in de kustzeeën van Azië leeft, valt juist op door de afwezigheid van zo'n vin. Naturalis is in het bezit van het holotype: een skelet dat in 1834 in Japan is verzameld door de Nederlandse onderzoeker Heinrich Bürger. De naamgeving verliep niet zonder problemen.

Japanse fauna
Het holotype is in 1834 verzameld door Heinrich Bürger (1804 of 1806-1858). Deze bioloog, natuur- en scheikundige was werkzaam op de Nederlandse handelspost Dejima, als assistent van de nederzettingsarts Philip Franz von Siebold. In de baai van Nagasaki, waarin Dejima was gelegen, zwommen bruinvissen rond. Bürger kwam in het bezit van een exemplaar dat door vissers was gevangen. Het dier is uitgebeend en het skelet opgenomen in Von Siebolds Japanverzameling. Vervolgens kwam het skelet in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden terecht.

Indische bruinvis_555 _Wikimedia

Indische bruinvis. Foto: ori2uru / Flickr

Naamgeving
Zoogdierconservator Hermann Schlegel (1804-1884) van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie zag in het skelet een nieuwe soort en publiceerde in 1841 zijn beschrijving van Delphinus melas. In een voetnoot vermeldt hij dat Delphinus melas al in 1809 door de Schotse natuuronderzoeker Thomas Stewart Traill (1781-1862) was toegekend aan de griend (tegenwoordig bekend als Globicephala melas). Er is dus sprake van een homoniem en in dat geval heeft de eerst gegeven naam voorrang. Delphinus melas mocht dus niet gebruikt worden voor de Indische bruinvis. Eigenlijk zou Schlegel een nieuwe naam hebben moeten verzinnen, maar nodig bleek dat niet. De soort was namelijk al in 1929 beschreven door de Franse zoöloog Georges Cuvier (1769-1832) onder de naam Delphinus phocaenoides. Later is de soort in een nieuw geslacht geplaatst, zodat de Indische bruinvis nu Neophocaena phocaenoides heet. Bruinvissen (Phocoena phocoena) in Nederlandse kustwateren zijn familie van de Indische bruinvis, maar behoren dus tot een ander geslacht (Phocoena).

Nagasaki.png

Verspreiding
Indische bruinvissen komen voor in de Aziatische ondiepe kustwateren en in riviermondingen in de Indische en Grote Oceaan, van Iran tot in de Japanse Zee. Ze zwemmen geregeld troebele rivieren op zoals de Indus, Ganges of Mekong. Soms zwemmen ze ook in open zee, maar zelden verder dan vijf kilometer. Het holotype is gevonden in Nagasaki, op het Japanse eiland Kyūshū.

Kleine tandwalvis
De Indische bruinvis behoort tot de orde van de tandwalvissen (Odontoceti). Het is een van de kleinste soorten binnen deze groep zeezoogdieren. Ze zijn gemiddeld net iets kleiner dan onze bruinvis (Phocoena phocoena) en bereiken een lengte van 140-165 centimeter bij een gewicht van 30-45 kilogram. Mannetjes zijn meestal groter dan vrouwtjes. De kop is relatief klein in verhouding tot het lichaam. Net als bij de meeste bruinvissen is het voorhoofd bol. Boven- en onderkaak zijn bezet met 13-22 paar spatelvormige tanden. De flippers zijn slank en licht gebogen en de staart is sikkelvormig. De huid is grijs en wordt naar de buik toe lichter, terwijl de kinriem juist donker is. Anders dan wat voor een bruinvis gewoon is, heeft de Indische bruinvis geen rugvin, maar in plaats daarvan een serie harde knobbels. Waarom een rugvin ontbreekt is niet duidelijk. Mogelijk is hij niet tot ontwikkeling gekomen tijdens de evolutie. Het kan ook zijn dat hij er vroeger wel was, maar in de loop van de tijd kleiner is geworden en tenslotte gereduceerd is, zodat een gladde ruglijn ontstond.

Viseters
Indische bruinvissen leven in kleine groepjes van drie tot vijf dieren. Ze bewegen zich snel en behendig voort. Tijdens de jacht blijven ze meestal minder dan een minuut onder water. Soms springen ze uit het water op, iets dat Noordzeebruinvissen zelden doen. Het voedsel bestaat uit vissen, inktvissen en garnalen en andere kreeftachtigen. Tijdens de jacht maken ze gebruik van echolocatie. Bijzonder is de lange draagtijd: elf maanden. De jongen worden aan het begin van de zomer geboren en zes tot vijftien maanden gezoogd. Pasgeborenen zijn met hun zestig centimeter al vrij groot. De jongen schijnen soms bij hun moeder op de rug mee te 'rijden'. De levensverwachting wordt geschat op 23 jaar. Hoe de soort er voor staat is niet precies bekend, want bruinvissen zijn lastig waar te nemen. Netten van vissers kunnen een bedreiging vormen. Er zijn gevallen bekend van dieren die erin verstrikt raakten en verdronken. Daarnaast groeien de steden lansg de Aziatische kusten enorm. Het kustwater raakt daardoor steeds meer vervuild. De soort staat dan ook als 'kwetsbaar' vermeld op de rode lijst van de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN.

Zeevarkens
In het Nederlandse deel van de Noordzee leven naar schatting 38.000 bruinvissen. Het zijn verwanten van de Indische bruinvis. Omdat bruinvissen zijn uitgerust met een dikke speklaag en ze knorrende geluiden maken, werden ze vroeger ook wel ‘varkensvis’ of ‘zeevarken’ genoemd. Dat er op bruinvissen is gejaagd, blijkt uit een achternaam als Varkevisser, die bijvoorbeeld in het vissersdorp Katwijk aan Zee voorkomt.

Bruinvis 
Bruinvis

Meer informatie

Monday, February 28, 2011 author: Marije Siemensma