Wilgengors
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.AVES.90834 |
| Status | Syntype |
| Oorspronkelijke naam | Emberiza aureola Pallas, 1773 |
| Huidige naam | Emberiza aureola Pallas, 1773 |
| Verzameld | Siberië |
Een van de oudste type-exemplaren van Naturalis
De wilgengors die Peter Simon Pallas in 1773 in Siberië verzamelde, is het oudste type-exemplaar in de vogelcollectie van NCB Naturalis. Toen de Duitse ontdekkingsreiziger en natuuronderzoeker in 1773 in Sint-Petersburg terugkeerde, beschreef hij de soort als Emberiza aureola. De vogel was een aanwinst voor het natuurhistorisch museum, waar Pallas als ‘opzigter van het Cabinet der Natuurlyke zeldzaamheden’ werkte. Van de grote aantallen type-exemplaren die in de tweede helft van de achttiende eeuw zijn beschreven, zijn er vele verloren gegaan. Van de vogels zijn er wereldwijd nog maar zo’n drieduizend over. Dat NCB Naturalis in het gelukkige bezit is van een type-exemplaar van Emberiza aureola, is te danken aan de internationale contacten van de toenmalige directeur.
Syntype van Emberiza aureola RMNH.AVES.90834. Foto © NCB Naturalis.
Een goede deal
Pallas ondernam vanuit Sint-Petersburg in het noordwesten van Rusland verschillende expedities naar afgelegen gebieden, zoals het Oeralgebergte, West-Siberië, de Kaspische Zee, het Altaj-gebergte en de bovenloop van de Amoer tot aan het Baikalmeer. Het materiaal dat hij verzamelde was bedoeld voor het natuurhistorisch museum van Sint-Petersburg, toen nog eigendom van de keizerin van Rusland, Catharina II. Zo kwam ook de wilgengors in dit museum terecht, waar Pallas de soort beschreef als Emberiza aureola. Door ruil belandde een syntype van de gors in de collectie van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden (nu NCB Naturalis). De toenmalige directeur, Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) had een goed persoonlijk contact met Johan Friedrich von Brandt (1802-1879), conservator van het Petersburgse natuurhistorisch museum en beheerder van het door Pallas verzamelde materiaal. In de collectie bevonden zich meerdere syntypen van de wilgengors en Von Brandt kon er dus wel een missen. Onderlinge ruil tussen musea was in die tijd heel gewoon. Men maakte er gebruik van om soorten te verwerven die nog in de collectie ontbraken. Aan een syntype werd destijds minder belang gehecht dan tegenwoordig, zeker als er meerdere stuks van in de collectie aanwezig waren. Dit zal ook bij de wilgengors het geval zijn geweest. We mogen aannemen dat er ook nu nog in de verzameling in Sint-Petersburg een of meerdere exemplaren zijn. Holotypen kwamen daarentegen zelden voor ruil in aanmerking. Waartegen Temminck het syntype van de wilgengors ruilde is niet bekend.
Uiterlijk
Met hun goudgele borst en buik zien wilgengorzen er opvallend uit. Dit verklaart ook meteen waarom Pallas zich voor de soortnaam (aureola) baseerde op het Latijnse aurum (= goud). Om het verenkleed af te maken, loopt over de borst een smalle kastanjebruine band, althans bij de mannetjes. De kop is zwart en gaat over in een eveneens kastanjekleurige nek en rug. In de winter is de zwart- en roodbruine tekening enigszins verdoezeld door lichtere veerranden. Vrouwtjes zijn minder opzichtig gekleurd, maar de lichte kruin- en wenkbrauwstrepen geven de kop een karakteristieke tekening.
Wilgengorzen broeden in Siberië in Rusland en andere noordelijke gebieden. Ze komen westelijk voor tot in Finland. ’s Winters trekken ze in grote groepen naar Zuidoost-Azië, India en Zuid-China. Als zomergast laten ze zich sporadisch in West-Europa zien. Het syntype is gevonden in Siberië.
Samen broeden
Wilgengorzen zijn algemeen op de toendra. Hun plezierige zang is een van de meest karakteristieke geluiden die te horen zijn op deze onafzienbare, met grassen, mossen en struiken begroeide vlakte die het Siberische naaldwoud (taiga) omzomen. Zittend bovenop een struik laten de vogels een muzikaal djuu-djuu weee-weee ziii-zii horen. Hun alarmroep is een kort metaalachtig tic. De toendra biedt een overvloed aan zaden en insecten, maar weinig goede nestelgelegenheid. Kou en wind verhinderen dat bomen, zoals wilg, els en berk, hoog opschieten. Kortgehouden door de elementen groeien ze in dwergvormen of kruipen ze over de grond. Wilgengorzen maken hun nest dan ook niet boven, maar óp de grond. Ze bouwen het met droog gras en stengels, terwijl zachter gras, worteldraden en soms haar uit de vacht van rendieren wordt gebruikt als bekleding. Het vrouwtje legt drie tot vijf glanzende eieren, getekend met grillige lijnen en groen- tot paarsgrijze vlekken. Beide partners bebroeden de eieren, tot die na twee weken uitkomen. Twee weken lang vliegen ze af en aan om hun kroost te voeren met rupsen, vliegen, kevers en sprinkhanen. Daarna zijn de jongen groot genoeg om uit te vliegen. Het ouderpaar leeft in de broedtijd op hetzelfde dieet, maar schakelt later weer over op zaden.
| Pallas kan alles
Pallas was een ondernemend en kleurrijk persoon en al tijdens zijn leven een beroemdheid. Hij ontdekte talloze nieuwe planten- en diersoorten en om hem te eren hebben wetenschappers veel soorten naar hem vernoemd. Ook geologie en mineralogie hadden zijn aandacht. Tijdens een van zijn expedities ontdekte Pallas een meteoriet van 680 kilogram. Het bleek van een zeldzaam type te zijn, dat sindsdien de naam pallassiet draagt. Tijdens zijn expedities stuurde Pallas reisverslagen naar Sint-Petersburg over zijn belevenissen. Later werden ze gebundeld en uitgegeven in zijn driedelige boekenserie ‘Reise durch verschiedene Provinzen des Russischen Reichs’ (1771–1776). |
Kwetsbare soort
De wilgengors is nu een bedreigde diersoort. In de broedgebieden is zo'n sterke afname van de aantallen gesignaleerd, dat de soort sinds 2008 als kwetsbaar wordt beschouwd. Het gevaar is aanwezig dat de aantallen zo ver teruglopen dat het voortbestaan van de soort in gevaar komt. De bedreigingen zijn legio. Zo dreigt door aanhoudende droogte in Mongolië een belangrijk broedgebied verloren te gaan en veel vogels worden tijdens de wintertrek het slachtoffer van jagers die uit zijn op het smakelijke vlees. Ook belanden wilgengorzen nogal eens in een kooitje om de mens te plezieren met hun fraaie zang.
Meer informatie
- Byers C., U. Olsson & J. Curson 1995. Buntings and Sparrows: a guide to the buntings and North American sparrows. Christopher Helm, Londen.
- Pallas P.S. 1773. Reise durch verschiedene Provinzen des Russischen Reichs 2. St. Petersburg.
-
Steinheimer F.D. 2005. The whereabouts of pre-nineteenth century bird specimens. Zoologische Mededelingen Leiden 79: 45-67. http://www.repository.naturalis.nl/record/210795
-
Wikipedia http://en.wikipedia.org/wiki/Peter_Simon_Pallas [geraadpleegd op 18 maart 2009]
-
Wikipedia http://nl.wikipedia.org/wiki/Johann_Friedrich_von_Brandt [geraadpleegd op 2 september 2009]
Friday, February 25, 2011


