Vegetarische boomvink
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.AVES.90690 |
| Status | Syntype |
| Naam | Camarhynchus crassirostris Gould, 1837 |
| Huidige naam | Platyspiza crassirostris (Gould, 1837) |
| Verzameld | Galápagoseilanden |
Onopvallende vegetariër sterkte Darwins evolutiegedachte
Beroemd worden kan ook zonder er spectaculair uit te zien. De vegetarische boomvink is geen opvallende verschijning, maar kreeg wel de onderzoekende blik van Charles Darwin op zich gericht. De beroemde bedenker van de evolutietheorie zag het al: het wetenschappelijke belang van deze en andere Galápagosvinken zit hem in de snavel, die per soort uniek is. Vorm en grootte van de snavel zijn aangepast aan het type voedsel dat de vinken eten. Darwin zag in de variatie aan snavelvormen een sterk argument voor de juistheid van zijn theorie over het ontstaan van soorten.
Aan de wieg van de evolutietheorie
Het vrouwtje van de vegetarische boomvink in de collectie van NCB Naturalis is in 1835 eigenhandig verzameld door Charles Darwin (1809-1882), de wetenschapper die als eerste het mechanisme achter het ontstaan van soorten wist te verklaren. Darwin bezocht de Galápagoseilanden tijdens zijn reis om de wereld met het onderzoeksschip The Beagle. In tegenstelling tot veel biologen die in zijn voetsporen traden, exploreerde Darwin ook de hogergelegen delen van de eilanden. Zo kwam hij niet alleen als eerste de vegetarische boomvink tegen, maar ook andere onbekende vogelsoorten. Het lukte hem om meerdere boomvinken te verzamelen. Het viel Darwin op dat de vogels sterk op elkaar leken, maar in de vorm van hun snavels verschilden. Helaas ontbrak het hem aan vergelijkingsmateriaal om de vogels direct op naam te brengen. Toen Darwin in 1837 terug was in London, legde hij de Galápagosvinken voor aan John Gould (1804-1881), groot vogelkenner en als conservator verbonden aan de Zoological Society of London. Gould beschikte over uitgebreide verzamelingen waarmee hij Darwins vinken kon determineren. Hij trok de conclusie dat ze een nieuwe vogelgroep vertegenwoordigden, de appelvinkachtigen. In totaal identificeerde Gould dertien verschillende soorten. Bij de toekenning van de soortnamen liet Gould zich door de snavels inspireren.
Het kwartje valt
Alle dertien soorten vertonen volgens Darwin gelijkenis met vinken die op het Zuid-Amerikaanse vasteland voorkomen, meer dan duizend kilometer van de Galápagoseilanden vandaan. De uiterlijke overeenkomst suggereerde een nauwe verwantschap. Nu viel het kwartje: Darwin concludeerde dat de vinken moesten afstammen van een gemeenschappelijke voorouder die lang geleden vanaf de westkust van Zuid-Amerika was komen overvliegen. De vorm van het lichaam was min of meer hetzelfde gebleven, maar de snavel had in de loop van de tijd grote veranderingen ondergaan. Door aanpassing aan de voedselomstandigheden op de verschillende eilanden had de ‘oervink’ zich tot meerdere soorten ontwikkeld. In zijn reisverslag uit 1845 merkte Darwin over de diversiteit aan snavels op: 'Het lijkt bijna of, bij een oorspronkelijke schaarste aan vogelsoorten in de archipel, er eentje is genomen die vervolgens op allerlei manieren is gemodificeerd.' Zijn eigen opmerkzaamheid en Goulds vogelkennis leverden Darwin een sterk argument op voor zijn theorie over het ontstaan van soorten. Ook al lijkt de vegetarische boomvink een beetje saai, samen met de andere Galápagosvinken staat hij aan de wieg van de evolutietheorie.
Verspreiding
Vegetarische boomvinken komen alleen op de Galápagoseilanden voor. Hun verspreiding beperkt zich tot de eilanden Isabela, Santa Cruz, Fernandina, Santiago,San Cristóbal, Floreana, Marchena en Pinta. Ze leven bij voorkeur op beboste hellingen tot aan de boomgrens.
Handel en wandel
Zo belangrijk als de vogelcollectie van Darwin nu is, zo weinig aandacht kreeg deze aan het eind van de negentiende eeuw. Darwins verzameling raakte verspreid over minstens acht instituten. De helft is waarschijnlijk verloren geraakt. In Darwins tijd werd er veel gehandeld en geruild, zowel door wetenschappers als door liefhebbers en privé-verzamelaars. Zo verkocht Gould tussen 1855 en 1859 een deel van Darwins collectie aan de Amsterdamse handelaar in natuurhistorische voorwerpen Gustav Frank Senior (1808-1880). Vervolgens belandden via Frank vijf Galápagosvinken in het Rijksmuseum van Natuurlijke historie in Leiden. Naast de vegetarische boomvink bezit NCB Naturalis - zoals het museum nu heet - ook andere vogels die door Darwin op de Galápagos zijn verzameld: drie kleine grondvinken, een cactusvink, twee Galápagosduiven, een roodstaartzaagvink en een kiekendief. Van de laatste werd pas in 2007 ontdekt dat hij door Darwin was verzameld.
Groot en sterk
De vegetarische boomvink valt op tussen de Galápagosvinken door zijn bontere verenkleed en zijn afmetingen. Hij behoort tot de grootste vinken die op de Galápagoseilanden voorkomen. Volwassen dieren wegen rond de 34 gram. Hun snavel is kort en stomp. De huidige wetenschappelijke naam Platyspiza is op de vorm ervan gebaseerd (platus = wijd of breed). Vegetarische boomvinken hebben een grote spiermaag en lange darmen. De sterke snavel en het lange spijsverteringsstelsel lijken samen te hangen met het dieet van moeilijk te verteren plantendelen.
Syntype van Camarhynchus crassirostris, RMNH.AVES.90690. Foto © NCB Naturalis.
Elk vogeltje eet zoals het gebekt is
De vinken op de Galápagoseilanden stammen af van een gemeenschappelijke voorouder die lang geleden in de archipel is aangekomen. Daardoor lijken ze uiterlijk sterk op elkaar. Eigenlijk verschillen ze alleen in de vorm van hun snavels, die aangepast zijn geraakt aan het voedsel dat de dieren eten. Vegetarische boomvinken hebben geen moeite om knoppen en bladeren los te knippen of om vruchten te openen. Ook bezitten ze de unieke vaardigheid om jonge twijgjes te strippen, om zo bij het suikerrijke binnenste te komen.
Meer informatie
- Castro I. & A. Phillips 1996. A Guide to the Birds of the Galápagos Islands. — Christopher Helm/ A&C Black, London.
- Darwin C.R. (ed.) 1841. The Zoology of the Voyage of H.M.S. Beagle, under the command of Captain Fitzroy, R.N., during the years 1832 to 1836. Part III. Birds, by John Gould. Smith, Elder & Co., London. http://www.biodiversitylibrary.org/item/49676
- Dekker R.W.R.J & C. Quaisser 2006. Type specimens of birds in the National Museum of Natural History, Leiden. Part 3. Passerines: Pachycephalidae – Corvidae (Peters's sequence). NNM Technical Bulletin 9: 1-77. http://www.repository.naturalis.nl/document/41357
-
Gould J. 1837. [Meeting on January 10, 1837. Mr. Gould exhibited from Mr. Darwin's collection of birds, a series of Ground Finches, so peculiar in form that he was induced to regard them as constituting an entirely new group, containing 14 species, and appearing to be strictly confined to the Galapagos Islands]. Proceedings of the zoological Society of London 5: 4-7.
-
Sulloway F.J. 1982. The Beagle collections of Darwin's finches (Geospizinae). Bulletin of the British Museum of natural History (Zoology) 43: 49-94.
- Sulloway F.J. 1982. Darwin and His Finches: The Evolution of a Legend. Journal of the History of Biology 15: 1-53.
- Website Arkive http://www.arkive.org/vegetarian-finch/platyspiza-crassirostris/) [geraadpleegd op 24-6-2009]
- Website Natuurinformatie http://www.darwinjaar.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i000637.html) [geraadpleegd op 31-7-2009]
Friday, February 25, 2011

