Temmincks honingzuiger

Nectarinia key visual 500.jpg

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.AVES.89971, 89972
Status Syntypes
Naam Nectarinia temminckii Müller, 1843
Huidige naam Aethopyga temminckii (Müller, 1843)
Verzameld Mount Singalang, Sumatra, Indonesië

 

Vernoemd naar museumdirecteur

Temmincks honingzuiger is een van de bijzondere vogels die door de Duitse natuuronderzoeker Salomon Müller zijn verzameld in het voormalige Nederlands-Indië. Tijdens een expeditie van de Natuurkundige Commissie op Sumatra nam Müller twee exemplaren mee, die nu als syntypen worden bewaard in de collectie van NCB Naturalis. Op basis van deze exemplaren benoemde Müller de soort Nectarinia temminckii. Het was een eerbetoon aan Coenraad Jacob Temminck, oprichter en eerste directeur van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie, het museum dat nu bekend staat als NCB Naturalis.

Verzamelaar en naamgever
Salomon Müller (1804-1864) beschreef de soort in 1843 op basis van twee mannetjes die hij eigenhandig op Sumatra verzamelde. Wanneer hij de vogels ving is niet precies bekend, maar het moet ergens tussen 1833 en 1836 zijn geweest, want in die periode verbleef hij op Sumatra. Müller was al sinds eind 1823 lid van de Natuurkundige Commissie, maar door allerlei omstandigheden werden er geen nieuwe reizen naar Nederlands Oost-Indië ondernomen. Alleen op Java, in de omgeving van het basiskamp in Buitenzorg, werd natuurhistorisch materiaal verzameld. Pas in 1828 kregen de commissieleden de mogelijkheid om buiten Java op onderzoek te gaan.

Aanvankelijk vertrok Müller naar Nieuw-Guinea. Pas in mei 1833 kreeg hij toestemming om naar Sumatra te gaan, waar hij tot begin 1936 met enkele collega's verbleef. Bij terugkomst sommeerde de Gouverneur-Generaal, de hoogste gezagdrager in koloniale gebieden, Müller om voor twee jaar terug te keren naar Nederland teneinde de verzamelde natuurhistorische voorwerpen te bestuderen. Volgens de Gouverneur-Generaal hadden de leden van de Natuurkundige Commissie veel werk gemaakt van het verzamelen van materiaal, maar bleef de bewerking en uiteindelijk wetenschappelijke publicatie uit. Tot zijn dood in 1864 werkte Müller aan het door hem en door andere Commissieleden verzamelde vogels. Volgens eigen opgave had hij gedurende zijn elfjarig verblijf in Indië ongeveer 6500 vogelhuiden bijeengebracht. Bij zijn onderzoekingen kreeg hij hulp van Coenraad Temminck (1778-1858). De naam Nectarinia temminckii die Müller aan de honingzuiger gaf is een welgemeend eerbetoon aan deze oprichter en eerste directeur van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Later onderzoek wees uit dat Temmincks honingzuiger beter ingedeeld kan worden bij het geslacht Aethopyga. De soortnaam blijft echter ongewijzigd, waardoor Temminck voor eeuwig aan de honingzuiger blijft verbonden.

Mount_Singalang_klaar_voor_web.png

Verspreiding
Temmincks honingzuiger leeft in de bergbossen van Borneo, Sumatra, het Maleisisch schiereiland en Zuidwest-Thailand, maar wordt ook wel waargenomen in lager gelegen gebieden. De syntypes zijn gevonden op Mount Singalang in Sumatra (Indonesi
ë).

Opvallend rode kop
Temmincks honingzuiger wordt zo'n twaalf centimeter groot. Het vrouwtje is kleiner dan het mannetje en heeft een iets kortere staart. Mannetjes hebben een zeer opvallende scharlakenrode kop. Rood overheerst ook op hun rug en staart. Het rood steekt fel af tegen de grijze buik en tegen de band van gele en paarse veren op de rug. De wetenschappelijke naam Aethopyga verwijst naar het rode lijf (aithos = vurig gekleurd, puge = romp). Het vrouwtje is olijfgrijs en heeft een gelige buik. Net als de vleugelveren hebben de staartveren oranje randen.

Nectarinia key zijkant_500.jpg

Syntype van Nectarinia temminckii RMNH.AVES.89972. Foto © NCB Naturalis.

Honingdrinkers
Temmincks honingzuiger behoort tot de Nectariniidae (honingzuigers). Dit geeft al aan dat de dieren zich voeden met de nectar die bloemen onderin hun kelken produceren. Temmincks honingzuiger heeft een lange, gekromde snavel waarmee hij ook onderin diepe bloemkelken kan komen. Om te drinken steekt hij zijn kop in de kelk. Soms proberen ze bij de nectar te komen door zich vanaf een tak uit te rekken of ondersteboven aan de bloemen te hangen. De meeldraden van de bloemen waaruit Temmincks honingzuiger drinkt zijn zo geplaatst dat ze de kopveren raken. Nadat hij zijn dorst heeft gelest, zit zijn voorhoofd onder het stuifmeel. Als de vogel bij een volgende bloem drinkt, komt het stuifmeel terecht op de stampers, die eveneens strategisch zijn geplaatst. Zo dragen honingzuigers bij aan de voortplanting van hun voedselleveranciers en helpen ze mee om hun nectarvoorraad in stand te houden. Als aanvulling op het zoete menu eten ze ook insecten en zacht fruit.

Paartjes blijven gedurende het hele broedseizoen bij elkaar. Eendrachtig bouwen ze het nest en ook bij het verzorgen de jongen werken ze samen. Het nest is buidelvormig en heeft een opening aan de zijkant. Het hangt aan een kleine tak en wordt zorgvuldig gemaakt van fijn gras en deels met spinrag bijelkaar gebonden. Vaak wordt het versierd met stukjes schors, bladeren, of zelfs met papier. Het legsel omvat meestal twee of drie lichtgekleurde eieren met bruinzwarte vlekjes. Alleen het vrouwtje bebroedt ze.

Meer informatie

Friday, February 25, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark