Gouden fluiter
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.AVES.90773 |
| Status | Holotype |
| Oude naam 1 | Laniarius albicollis Vieillot, 1817 |
| Oude naam 2 | Turdus lunularis Stephens, 1826 |
| Oude naam 3 | Pachycephala macrorhynchus Strickland, 1849 |
| Oude naam 4 | Pachycephala mentalis Watling, 1883 |
| Huidige naam | Pachycephala pectoralis macrorhynchus Strickland, 1849 |
| Verzameld | Molukken |
Een veelvoud aan namen
Als er één vogel is die aan aandacht van ornithologen geen gebrek heeft gehad, dan is het de gouden fluiter wel. Maar liefst vier keer kreeg de soort een andere wetenschappelijke naam. Een witte keel, een zwarte band, een dikke snavel: steeds liet men andere kenmerken in de naam tot uitdrukking komen. Maar de geschiedenis van de naamgeving geeft niet alleen inzicht in de kenmerken die vogelonderzoekers benadrukken. Hij laat ook zien dat ze twijfelden in welke vogelgroep de fluiter geplaatst moest worden.
Uit de oude collectie
Het holotype van Laniarius albicollis Vieillot, 1817 - de eerste wetenschappelijke naam die aan de gouden fluiter werd toegekend - komt uit de privécollectie van Jacob Coenraad Temminck (1778-1858), oprichter en eerste directeur van 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie. Zijn particuliere collectie was een van de drie verzamelingen die de basis vormden van het in 1820 opgerichte museum. Temmincks vogels werden samengevoegd met collecties van de Leidse Universiteit en van ’s Lands Kabinet van Natuurlijke Historie. Aan de meeste objecten uit deze oude collecties zijn geen gegevens verbonden. Dat komt omdat men in het midden van de negentiende eeuw nog weinig waarde hechtte aan gedetailleerde documentatie. Het gevolg is dat we niet precies weten wanneer het holotype van de gouden fluiter is verzameld, waar dat gebeurde en door wie. In een vroege beschrijving door de Franse ornitholoog François Levaillant (1753-1824) wordt vermeld dat Batavia, het tegenwoordige Jakarta, de vindplaats zou zijn. Het label dat vogelconservator Otto Finsch (1839-1917) later aan de poot van het type-exemplaar vastmaakte, vermeldt echter de Molukken. Op de achterzijde staat een notitie van Finsch, waarin hij opmerkt dat Temminck op een oud etiket Ambon als vindplaats noemt. Het zou kunnen dat Batavia de plek was van waaruit de vogel naar Nederland werd verscheept, terwijl het exemplaar zelf op Ambon is verzameld.
Veelvoud aan namen
Levaillant, die als eerste over de gouden fluiter publiceerde, kende de soort geen wetenschappelijke naam toe. In plaats van een naam die volgens het systeem van Linnaeus was opgebouwd uit een geslachtsnaam en een soortnaam, noemde hij de vogel Cravatte blanche (witte das). In 1817 gaf de Franse ornitholoog Louis Jean Pierre Vieillot (1748-1831) de gouden fluiter een echte wetenschappelijke naam: Laniarius albicollis. Evenals Levaillant verwees ook hij naar de witte keel. Bijna tien jaar later, in 1826, deelde James Francis Stephens (1792-1852) de gouden fluiter in bij de lijsters en noemde hem Turdus lunularis. Lunularis (= sikkelvorming) is een verwijzing naar de halvemaanvormige zwarte borstband. Nog weer later, in 1849, veranderde de gouden fluiter opnieuw van plaats in het vogelrijk. De Britse ornitholoog Hugh Edward Strickland (1811–1853) was van mening dat de soort tot de Pachycephala (dikkoppen en fluiters) gerekend moest worden en om dit tot uiting te laten komen veranderde hij de soortnaam in Pachycephala macrorhynchus. Deze herziening baseerde hij niet op het holotype van NCB Naturalis maar op exemplaren uit andere collecties. Daarmee was de naamgeving nog niet ten einde. In 1883 oordeelde de Britse ornitholoog D. Watling dat de gouden fluiter tot een andere soort gerekend moest worden: Pachycephala mentalis. Tegenwoordig zijn vogeldeskundigen het erover eens dat de gouden fluiter een ondersoort is van Pachycephala pectoralis. De juiste wetenschappelijke naam luidt dan ook Pachycephala pectoralis macrorhynchus Strickland, 1849.
Het holotype (mannetje) van Laniarius albicollis RMNH.AVES.90773 toont duidelijk de gele buik en de witte ‘das,' gescheiden door een zwarte band. Foto © NCB Naturalis.
Verspreiding
De gouden fluiter heeft een groot verspreidingsgebied. Hij komt voor in Indonesië (met name op eilanden ten oosten van Java), Papoea Nieuw-Guinea, Australië en onder meer op de Fiji- en Solomoneilanden. Binnen dit grote gebied worden maar liefst 59 verschillende ondersoorten onderscheiden. Pachycephala pectoralis macrorhynchus komt alleen voor op de Molukse eilanden Seram en Ambon.
Stralend geel
Het hoeft geen verbazing te wekken dat de gouden fluiter zijn naam dankt aan zijn goudkleurige verschijning. Het lichaam is wat mollig en bereikt bij volwassen exemplaren een lengte van 16 tot 19 centimeter, gemeten van de punt van de snavel tot de punt van de staart. De kop is vrij groot en rond en de snavel kort en stevig. Mannetjes hebben een zwarte kop en nek en een knalgele borst en buik. De witte keel steekt daar fel tegen af, vooral omdat een zwarte band de keel en de onderzijde scheidt. Vrouwtjes hebben een doffere tooi: hun buik is kaneelkleurig met bruine strepen en hun rug olijfgroen.
Romantisch duet
Gouden fluiters leven bij voorkeur in bosgebieden. Ze houden zich zowel op in boomkronen als in de ondergroei, alleen of in paartjes. Tussen het gebladerte zoeken ze naar insecten, spinnen, zaden en bessen. Mannetje en vrouwtje zingen vaak luidkeels een duet. In de broedtijd zetten ze hun zang in om het territorium af te bakenen. Terwijl het mannetje zijn territorium verdedigt, bouwt het vrouwtje een ruim nest in een gevorkte tak hoog boven de grond. Ze bekleedt het niet met zacht materiaal, maar legt haar eieren op de kale takken. Het legsel bestaat uit twee of drie crèmekleurige eieren, die aan de stompe zijde zijn afgetekend met bruinrode vlekjes. Beide ouders broeden de eieren in twee weken uit. Al na tien tot twaalf dagen vliegen de jongen uit.
Meer informatie
- Boles W. 2007. Family Pachycephalidae (Whistlers). In: J. del Hoyo, A. Elliott & D.A. Christie (eds.). Handbook of the Birds of the World. Volume 12: Picathartes to Tits and Chickadees. Lynx Edicions, Barcelona, Spain.
-
Vieillot L.J.P. 1817. Nouveau Dictionnaire d'Histoire Naturelle. 17: KAA-LIG. Paris.
- Watling D. 2004. A guide to the birds of Fiji and Western Polynesia. Dick Watling.
Friday, February 25, 2011

