Geelrugwielewaal
| Gegevens type-exemplaren | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | Niet van toepassing |
| Status | Syntypes |
| Naam | Oriolus leucogaster Temminck, 1823 |
| Huidige naam | Oriolus xanthonotus xanthonotus Horsfield, 1821 |
| Verzameld | Java, Indonesië |
Tekening als type-exemplaar
Ondanks alle goede zorgen van musea verdwijnt er weleens type-materiaal. Zo was NCB Naturalis ooit in het bezit van twee Javaanse geelrugwielewalen, een mannetje en een vrouwtje. De beroemde ornitholoog Coenraad Jacob Temminck beeldde ze af in zijn boek Nouveau Recueil de Planches Coloriées d'Oiseaux. In de collectie van NCB Naturalis zijn de exemplaren van Oriolus leucogaster, zoals Temminck de soort noemde, echter niet meer aanwezig. Men gaat er vanuit dat ze verloren zijn gegaan. Temmincks tekeningen zijn nu het enige bewijs van hun bestaan en zijn dan ook te beschouwen als 'papieren type-exemplaren.' Het is maar goed dat we de tekeningen nog hebben, want over de afwijkende kleur van de wielewaal is onder ornithologen veel te doen geweest.
Type-exemplaar spoorloos verdwenen
Temminck publiceerde de wetenschappelijke beschrijving van Oriolus leucogaster in zijn standaardwerk Nouveau Recueil de Planches Coloriées d'Oiseaux (1820-1839). In de soortbeschrijving valt te lezen dat Temminck niet alleen op zijn eigen collectie teruggreep, maar ook exemplaren uit andere Europese vogelcollecties gebruikte. De tekeningen voor de prenten werden gemaakt in Parijs. Twee tekenaars waren ervoor in dienst genomen: Nicolas Huet (1770-1830) en Jean Gabriel Prêtre (1800-1840). Voor de tekeningen van Oriolus leucogaster stonden een mannetje en een vrouwtje model die vanuit 's Rijks Museum van Natuurlijke Historie in Leiden naar de illustratoren waren gestuurd. Op deze tekening zijn alle kenmerken te zien die nodig zijn om te bepalen om welke soort het gaat. Helaas kwamen de vogels na afloop niet retour.
Behalve op zijn eigen Leidse wielewalen baseerde Temminck zich voro de soortbeschrijving op exemplaren uit de natuurhistorische musea van Londen, Parijs en Wenen. Kennelijk kwamen ze voldoende overeen met Temmincks witgebuikte exemplaren om de soort Oriolus leucogaster te noemen (letterlijk: wielewaal met witte buik). We kunnen Temmincks gedachtengang echter niet meer controleren, want alle door hem gebruikte exemplaren zijn verdwenen. NCB Naturalis heeft nog wel een geelrugwielewaal in bezit, maar deze werd pas in 1825 op Java verzameld door Heinrich Boie (1794–1827). Aangezien Temmincks soortbeschrijving uit 1823 stamt, kan hij dit exemplaar niet hebben gebruikt. Mogelijk zijn de verdwenen exemplaren geruild met andere musea en bevinden ze zich nog ergens incognito in een of andere natuurhistorische collectie. Het kan ook zijn dat ze werkelijk verloren zijn gegaan. Vooralsnog moeten we ons vasthouden aan de afbeeldingen in Planches Coloriées en deze bij gebrek aan beter als 'type-exemplaren' beschouwen, of op zijn minst als substituten van de originelen.
Geelrugwielewalen komen voor op de Filippijnen, in Maleisië, op Sumatra en eilanden rondom Bangka, Borneo en Java. De syntypes zijn gevonden op Java, Indonesië.
Twee namen voor één vogel
Temminck was niet de eerste die de wielewaal beschreef. Twee jaar eerder, in 1821, had de Britse ornitholoog Thomas Horsfield (1773–1859) de soort al benoemd. Horsfield hechtte meer belang aan de gele rug en noemde de vogel Oriolus xanthonotus (xanthonotus = met gele rug). Als goed ingevoerd ornitholoog was Temminck uiteraard op de hoogte van Horsfields beschrijving, maar hij hechtte meer belang aan de witte onderzijde en vond dat juist dit kenmerk in de soortnaam tot uitdrukking moest komen. Daarom hernoemde hij de soort Oriolus leucogaster. Temminck was er stellig van overtuigd dat ornithologen ook naar afwijkende kenmerken moeten kijken en niet uitsluitend naar de overeenkomsten.
Volgens de regels van de wetenschappelijke naamgeving, vastgelegd in de International Code of Zoological Nomenclature, heeft de eerstgegeven naam voorrang. Horsfields senior-synoniem O. xanthonotus is daarom de geldende naam en niet Temmincks O. leucogaster, dat als junior-synoniem moet worden opgevat. Dat Temminck de witte buik voldoende reden vond voor een soortrevisie, is te verklaren: alle destijds bekende wielewalen hadden namelijk een gele borst. Pas na 1823 werden er meer wielewalen ontdekt met een afwijkende kleurstelling. Aanvankelijk roeide Temminck dus tegen de stroom in, maar later werd hij toch in zijn gelijk bevestigd.
Gevlekte borstDe geelrugwielewaal onderscheidt zich van andere Aziatische wielewalen door zijn kleinere afmetingen, maar vooral door het ontbreken van gele borst- en buikveren. In plaats daarvan is de onderzijde van zowel mannetje als vrouwtje wittig met druppelvormige zwarte lengtestreepjes. De rug heeft wel de voor wielewalen typerende felgele tooi. Kop en vleugels van het mannetje zijn diepzwart; het vrouwtje daarentegen heeft een groene kop en dito dekveren - alleen haar slagpennen zijn zwart.
Temmincks afbeelding van Oriolus leucogaster in Nouveau Recueil de Planches Coloriées d'Oiseaux.
Jodelen
De vogels houden zich solitair of in paren op in bomen met een dichtbebladerde kruin. Ze zijn aan te treffen in droge laaglandbossen, in moerasbossen, in grote bomen die gespaard zijn gebleven op kapvlaktes en in oude rubberplantages waar bomen de tijd hebben gekregen om tot volle wasdom te komen. In en rond de bomen vinden ze voldoende insecten en vruchten om van te leven.
Om hun territorium af te bakenen, roepen ze vanaf een vaste plek aanhoudend fu-didelioh. Het nest maken ze bij voorkeur hoog in de kruin. Op een bedje van zacht gras, bladeren en bamboe legt het vrouwtje twee crèmeroze eieren, gespikkeld met grijze en kastanjebruine vlekken. Hoe lang ze bebroed worden en wanneer de jongen vliegvlug zijn is niet bekend.
Meer informatie
-
Dekker R.W.R.J & C. Quaisser 2006. Type specimens of birds in the National Museum of Natural History, Leiden. Part 3. Passerines: Pachycephalidae– Corvidae (Peters's sequence). NNM Technical Bulletin 9: 1-77. http://www.repository.naturalis.nl/record/209741
- Temminck C.J. 1820-1840. Manuel d'Ornithologie, ou Tableau Systématique des Oiseaux qui se trouvent en Europe; précédé d'une Analyse du Système général d'Ornithologie, et suivi d'une table alphabétique des Espèces. 2nd ed., vol. I-II: i-cxv, 1-439 & 440-950. Paris.
-
Wells D.R. 2007. The birds of the Thai-Malay peninsula. Volume 2: Passerines. Christopher Helm, London.
Friday, February 25, 2011

