Fluweelborstboomklever

Sitta velata_key visual 500.jpg

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.AVES.89904
Status Paralectotype
Naam Sitta velata Temminck, 1821
Huidige naam Sitta frontalis corallipes Sharpe, 1888
Verzameld Waarschijnlijk Borneo
 

Juiste naam dankzij nieuw onderzoek

Een wetenschappelijk museum als NCB Naturalis moet zeker weten dat aan een type-exemplaar de juiste soortnaam hangt. Type-exemplaren dienen immers als referentie voor de soort en op hun beschrijving is de indeling van de biodiversiteit op aarde gebaseerd. Om zeker te zijn, worden soortbepalingen van vroegere collega’s nauwgezet gecontroleerd. Zo bracht recent onderzoek een foute wetenschappelijke naam van de fluweelborstboomklever aan het licht. Coenraad Jacob Temminck, eerste directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, benoemde de soort in 1821 als Sitta velata, maar nu blijkt het beestje een andere naam te hebben. De soortnaam velata mag niet meer voor een boomklever worden gebruikt. NCB Naturalis en de wetenschap zijn een vogelsoort armer, maar ook een juiste determinatie rijker.
 

Verwarring rond naamgeving
De ornitholoog Coenraad Jacob Temminck (1778-1858) baseerde zijn soortbeschrijving van 1821 op vier exemplaren die hij had bestudeerd in de natuurhistorische musea van Leiden, Londen, Parijs en Wenen. Twee syntypen waren verzameld op Sumatra, de andere twee op Java. Temminck was van mening dat hij te maken had met een nieuwe boomkleversoort, die hij Sitta velata doopte. Een van de syntypen liet hij op een kleurenprent afbeelden. Lange tijd was er geen discussie over de fluweelborstboomklever, totdat duidelijk werd dat van een aparte soort geen sprake kon zijn. De gelijkenis met Sitta frontalis, een al in 1820 door Swainson beschreven Aziatische boomklever, was te groot. De soortnaam velata werd ongeldig verklaard, omdat eerstgegeven namen volgens de regels van de zoölogische naamgeving voorrang hebben.

Zoekgeraakte typen
Het Leidse type, waarop Temmincks beschrijving gebaseerd is, wordt nog steeds bewaard in de collectie van NCB Naturalis. Helaas is niet meer na te gaan welke exemplaren hij in Londen zag en welke in Parijs. Toen het onderzoek naar Sitta velata werd heropend, kwam alleen het Weense type-exemplaar boven water. De syntypen uit Parijs en Londen zijn zoekgeraakt. Misschien houden ze zich nog ergens schuil in de omvangrijke verzamelingen van de natuurhistorische musea in die steden, maar het is ook mogelijk dat ze verloren zijn gegaan.

Sitta velata_onderkant 500.jpg

Paralectotype van Sitta velata. RMNH.AVES.89904. De rode snavelkleur is in de loop van de tijd verdwenen. Foto © NCB Naturalis.

Addertje onder het gras
In 1986 doen de Leidse ornithologen Cristiane Quaisser en René Dekker nog een ontdekking. Het syntype in de collectie van NCB Naturalis heeft geelgekleurde poten, een opvallend verschil met het Weense exemplaar, dat donkere poten bezit. De vogel die Temminck afbeeldt in Planches Coloriées heeft ook gele poten, maar in de tekst noemt hij donkere poten als een van de belangrijkste soortkenmerken. Kennelijk heeft Temminck op de prent het Leidse exemplaar afgebeeld, maar zich voor de soortbeschrijving vooral op de Weense boomklever gebaseerd. Inmiddels weten we dat boomklevers met geelgekleurde poten alleen op Borneo voorkomen en niet op Java, waar het exemplaar volgens het label is verzameld. De conclusie is dat de vindplaats van het Leidse exemplaar fout op het label is genoteerd en Borneo moet zijn. Dit werpt nieuw licht op de toewijzing als ondersoort. Roodpotige boomklevers van Borneo zijn namelijk benoemd als Sitta frontalis corallipes, een ondersoort die in 1888 door Sharpe werd beschreven. Ten lange leste kon men nu aan de Leidse fluweelborstboomklever de juiste wetenschappelijke naam toekennen: niet Sitta velata, ook niet Sitta frontalis frontalis, maar Sitta frontalis corallipes (letterlijk: koraalvoet, naar de tenen die veel op takjes koraal lijken). Weliwaar hebben levende fluweelborstboomklevers van Borneo rode poten, maar het rood verkleurt na de dood in geel. De queeste rond de Leidse boomklever is daarmee nog niet ten einde, want met de nieuwe naam werd het tevens onttroond als syntype. Het moet nu beschouwd worden als paralectotype van Sitta frontalis corallipes.

 Borneo_klaar_voor_web.png

Verspreiding
Van de Aziatische boomklevers hebben fluweelborstboomklevers de grootste verspreiding. Ze leven op het Indiase subcontinent inclusief Sri Lanka tot in Zuidoost-Azië: van zuidelijk China tot Borneo, Java en Sumatra en op de Filippijnen. In dit grote verspreidingsgebied komen verschillende habitats voor waaraan de soort is aangepast. Er zijn dan ook vijf zogenaamde ondersoorten (geografische variëteiten) beschreven. Het type-exemplaar is waarschijnlijk gevonden op Borneo.

Fluwelen strengheid
Met een lengte van ruim twaalf centimeter behoort de fluweelborstboomklever tot de middelgrote boomklevers. Zoals de naam al aangeeft, heeft hij fluweelzachte veren op de borst, roestrood van kleur maar plaatselijk overgaand in lila tot vaalgele tonen. Ook vóór op de kop prijkt een grote pluk fluwelen veren, gitzwart van kleur. Als enorme 'wenkbrauwen' zitten ze boven de basis van de snavel en voor de ogen. Ze geven de boomklever zijn strenge schoolmeesterblik. Rug en vleugels zijn bezet met glanzende violetblauwe veren. De zware wenkbrauwen ontbreken bij de vrouwtjes, die dan ook veel zachtaardiger ogen. Net als mannetjes hebben ze een blauwe rug, maar hun buik is kaneelbruin. Beide geslachten vallen op door hun rode snavel en bruine, rode of oranje poten.

Sitta velata_Planches Coloriees 500.jpg

Sitta velata, afbeelding uit Temmincks Planches Coloriées (plaat 72, figuur 3). 

Bosliefhebbers

Fluweelborstboomklevers hebben een voorkeur voor bosgebieden, maar zijn ook te vinden in koffie- en theeplantages, verlaten rubberplantages en wijngaarden. Het liefst verblijven ze langs bosranden en op open plekken tussen bomen. De vogels houden van warmte en koesteren zich graag in de zon. Meestal houden ze zich op in groepen van twee tot zes exemplaren, met een maximum van twintig. Hun voedsel scharrelen ze op een heel aparte manier bij elkaar op boomstammen en takken in de kruin van hoge bomen. Door met de vleugels tegen de schors te flapperen, schrikken ze spinnen en insecten op.

Nestelen doen ze in holen. Vaak benutten ze gangen die door zoogdieren of spechten zijn verlaten. Is de gang te groot, dan pleisteren ze die dicht tot er niet meer dan een nauwe opening overblijft. Kleine gaatjes waar ze zich niet doorheen kunnen wurmen, hakken ze verder open. Het nest wordt bekleed met mos, haar, veertjes en soms wat dode bladeren. Het vrouwtje legt drie tot vijf witte eieren met steenrode tot paarse spikkels en vlekken. Na ongeveer twee weken komen de eieren uit en krijgen de jongen van beide ouders voedsel aangereikt. De zang is weinig opvallend, maar fluweelborstboomklevers zijn 's avonds wel vaak als laatste nog te horen. Met een hoog en luid ‘chat’ of ‘chip’ gevolgd door een zachter ‘sit-sit-sit-sit’ gaan ook zij de nacht in.

Meer informatie

Thursday, February 24, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark