Fanteekamzwaluw

Hirundo obscura _key visual 500.jpg

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.AVES.88914
Status Holotype
Naam Hirundo obscura Hartlaub, 1855
Huidige naam Psalidoprocne obscura (Hartlaub, 1855)
Verzameld Ghana

Verwarring over vindplaats

Bij het holotype van de fanteekamzwaluw heeft iemand de gegevens op het originele label veranderd: zowel het geslacht van de vogel als de vindplaats zijn gewijzigd. Hierdoor kloppen de gegevens op het label niet meer met de soortbeschrijving die in 1855 gepubliceerd werd door de ornitholoog Gustav Hartlaub. Waarschijnlijk is het label aangepast door Hermann Schlegel, de tweede directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Schlegel heeft er ongetwijfeld goede redenen voor gehad, maar wat zijn overwegingen precies waren, is niet bekend.

Gewijzigd label
Het type-exemplaar van de fanteekamzwaluw is in 1841 in Ghana verzameld door Hendrik Severinus Pel (1818-1876). Al vanaf zijn dertiende was Pel verbonden aan het Leidse Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Hij ving de vogel in de kustregio Dabo Krom (Dabocrom). Deze vindplaats werd ook opgegeven door Gustav Hartlaub (1814-1900), de ornitholoog die de zwaluw in 1855 als nieuwe soort beschreef op basis van het door Pel verzamelde exemplaar. Het label, dat met een touwtje aan het type-exemplaar vastzit, vermeldt echter een andere vindplaats: Rio Boutry. Weliswaar is dat niet al te ver weg van Dabo Krom, maar het is wel een andere locatie. Na de soortbeschrijving moet iemand de vindplaatsaanduiding op het label gewijzigd hebben. Waarschijnlijk is dit gedaan door Hermann Schlegel (1804-1884). Als directeur en conservator was Schlegel verantwoordelijk voor de zoölogische collecties van het museum. Hij was bovendien een vooraanstaand vogeldeskundige en stond erom bekend dat hij gegevens op de labels van geprepareerde dieren veranderde als hij van mening was dat de informatie niet klopte.

Vrouwtje of mannetje
Ook het geslacht - volgens het label een vrouwtje - wijkt af van Hartlaub, die melding maakt van een mannetje. Omdat uiterlijke geslachtskenmerken zo goed als ontbreken, is de sekse lastig te bepalen. Misschien heeft Schlegel goed naar de staartlengte of naar het inwendige van de vogel gekeken en daarom het geslacht op het label veranderd. Schlegel maakte echter geen notitie van zijn overwegingen, zodat we slechts kunnen gissen naar zijn beweegredenen.

Ghana_10-2-2011.png

Verspreiding

Fanteekamzwaluwen komen voor in de West-Afrikaanse laaglanden, van Senegal en Guinee-Bissau tot aan het westen van Kameroen, niet verder dan Mount Cameroon en Kumba. In het regenseizoen trekken de vogels naar het noorden. Het holotype is verzameld in Ghana.

Sierlijke vliegers maar onbeholpen lopers
De fanteekamzwaluw is tot zeventien centimeter lang, heeft een glanzend donkergroen verenkleed en een lange, diepgevorkte staart. Geen andere zaagvleugelzwaluw (geslacht Psalidoprocne) heeft zo’n donker verenkleed en sterk gevorkte staart. Mannetje en vrouwtje zijn vrijwel identiek, alleen de staart van het vrouwtje is korter. Jonge exemplaren hebben ook een korte staart en zijn bruin van kleur. Bovendien glanst hun verenkleed minder dan dat van volwassen dieren.

Fanteekamzwaluwen zijn sierlijke vliegers die lang in de lucht kunnen blijven. Ze danken hun vliegkunsten aan de lange, spitse vleugels en het gestroomlijnde lichaam. Zoals veel zwaluwen kunnen ze op de grond slecht uit de voeten. Met hun korte poten met gedeeltelijk vergroeide tenen lopen ze nogal stuntelig.

Hirundo obscura _bovenkant  500.jpg

Holotype van Hirundo obscura, RMNH.AVES.88914. Foto © NCB Naturalis.

Schlegel_klein.jpg

Hermann Schlegel (1804-1884)

Van assistent tot directeur
Als jongeling werkte Schlegel in de messinggieterij van zijn vader in het Duitse Altenburg, in Thüringen. De natuur fascineerde hem echter enorm en op zijn zeventiende zegde hij de messinggieterij vaarwel. Hij trok er op uit en na omzwervingen in Zuid-Duitsland belandde hij in 1824 voor een ‘klein baantje’, zoals hij het zelf omschreef, bij het Natuurhistorisches Museum in Wenen. Zijn nieuwsgierigheid en enthousiasme bleven niet onopgemerkt en Carl von Schreiber (1775-1852), directeur van het museum aldaar, beval de jonge Schlegel aan bij Coenraad Jacob Temminck (1778-1858), die toen directeur was van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden. Temminck was juist op zoek naar een assistent en zodoende vertrok Schlegel naar Leiden. In het begin werkte hij voornamelijk aan de reptielencollectie, maar al snel hield hij zich bezig met de hele zoölogische collectie. Hij werd ook een deskundige op het gebied van vogels. Door het plotselinge overlijden van Heinrich Boie (1794-1827), de voorziene opvolger van Temminck, kwam Schlegel in beeld als directeur. Tijdens zijn jaren in Leiden was hij onder leiding van Temminck een zoöloog van internationaal formaat geworden. In 1858 werd hij benoemd tot directeur. Onder zijn leiding werden verschillende expedities naar Zuidoost-Azië georganiseerd, wat resulteerde in een aanzienlijke uitbeiding van de collecties. Onder Schlegel groeide ook de wetenschappelijke betekenis van het museum. Zo startte hij met een wetenschappelijk tijdschrift, getiteld Notes from the Leyden Museum, en met de productie van het veertiendelige werk Muséum d’histoire naturelle des Pays-Bas (1862-1880). Schlegel bleef directeur tot hij in 1884 stierf.

Zwijgzame vogel
Fanteekamzwaluwen hebben een voorkeur voor beboste en open graslanden, bosranden en rivieroevers, maar wagen zich ook in de buurt van mensen. Ze houden zich namelijk het liefst op waar water is te vinden en dat is bij mensen altijd aanwezig. Hun menu bestaat uit insecten, die ze in de vlucht vangen. Kenmerkend voor deze zwaluwen is dat je ze bijna nooit hoort zingen of roepen. Als ze al geluid maken is dit niet meer dan een zacht gepiep. Ze vormen vaak paren of zwermen samen in kleine groepen. Steile oeverranden vormen een ideale broedplek. Daarin graven ze horizontale, tot zestig centimeter diepe gangen. Aan het eind maken ze een grote nestholte die gemeubileerd wordt met twijgjes, plantenresten en mossen. Op deze zachte bedding legt het vrouwtje twee witte eieren. Meer is er over het broedgedrag niet bekend.  

Meer informatie

 

Friday, February 25, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark