Diksnavelleeuwerik

Diksnavelleuwerik Key visual 500.jpg

Gegevens type-exemplaar  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.AVES.88898
Status Holotype
Oude naam Melanocorypha clot-bey Bonaparte, 1850
Huidige naam Ramphocoris clot-bey (Bonaparte, 1850)
Verzameld Egypte

Woestijnleeuwerik van Napoleons neef

Niemand minder dan Charles Bonaparte, de verbannen neef van keizer Napoleon, maakte de naam van de diksnavelleeuwerik wereldkundig. Bonaparte was een berucht politiek intrigant, maar ook een verdienstelijk ornitholoog. Hij bracht veel tijd door in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden en kreeg dankzij zijn goede vriendschap met de toenmalige directeur de vrije hand in de vogelverzameling. Zo deed hij allerlei ontdekkingen. De diksnavelleeuwerik is een van de nieuwe soorten die hij publiceerde.

Verrassing uit Egypte
In 1846 kwam bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie een kist aan met vogels uit Egypte. Afzender was de Franse arts Antoine Clot (1793-1868), die in zijn vrije tijd graag de Egyptische natuur in ging om vogels te verzamelen. Coenraad Jacob Temminck (1778-1885), de toenmalige directeur van het museum, moet tijdens het inspecteren van de inhoud de diksnavelleeuwerik zijn tegengekomen. Hij noemde de soort Melanocorypha clot-bey, daarmee Clot erend als dank voor de schenking. In Egypte stond Clot bekend als Clot Bey. ‘Bey’ is een eretitel voor belangrijke Perzische mannen.

In de literatuur komen we echter niet Temminck maar Charles Bonaparte (1803-1857) tegen als eerste beschrijver van de diksnavelleeuwerik. Bonaparte kreeg van zijn goede vriend Temminck alle ruimte om de vogels in zijn museum te bestuderen en erover te publiceren, zelfs over namen die Temminck al had toegekend, maar nog niet wereldkundig had gemaakt. Vele nieuwe soorten, oorspronkelijk door Temminck benoemd, staan beschreven in Bonapartes levenswerk Conspectus Generum Avium.

Diksnavelleuwerik rugzijde 500.jpg

Ramphocoris clot-bey, holotype RMNH.AVES.88898. Foto © NCB Naturalis.

Alauda
De diksnavelleeuwerik behoort tot de familie Alaudidae (leeuweriken). Deze familie omvat meerdere geslachten (= genera, enkelvoud genus). Temminck plaatste de diksnavelleeuwerik aanvankelijk in het genus Alauda. Bonaparte, die van mening was dat de leeuwerik in een ander geslacht (Melanocorypha) thuishoorde, hield hier rekening mee. Hij plaatste Alauda tussen haakjes, wat dus de soortnaam Melanocorypha [Alauda] clot-bey opleverde. Inmiddels is de leeuwerik ingedeeld bij weer een ander leeuwerikengenus: Ramphocoris. Om de veranderde plaatsing tot uiting te brengen, is de naam van Bonaparte tussen haakjes komen te staan, wat de soortnaam Ramphocoris clot-bey (Bonaparte, 1850) oplevert. 

Egypte.png

Verspreiding
Diksnavelleeuweriken leven in de woestijngebieden in Noordwest-Afrika, Jordanië en het noorden van Saoedi-Arabië. De aantallen variëren per gebied: in Marokko zijn zwermen van vijftig vogels waargenomen, maar in Egypte worden ze zelden gezien. Maar het holotype is verzameld in Egypte.

Dikkop
De diksnavelleeuwerik is een monotypische soort. Dit houdt in dat het de enige soort is binnen het geslacht Rhamphocoris. Het is een forse leeuwerik, die van kop tot het puntje van de staart ruim zeventien centimeter meet. Opvallend zijn de stevige kop en de enorme snavel. Een puntig uitsteeksel van de ondersnavel past precies in een inkeping van de bovensnavel. Het mannetje heeft een donkere kop met een duidelijke witte plek opzij en een witte kin. Op de rug en de bovenzijde van de vleugels heeft het verenkleed een rood-grijze tint. Borst en buik zijn lichter van kleur en voorzien van donkere stippen. Ook de onderzijde van de vleugels is lichtgekleurd. Het verenkleed van het vrouwtje is minder uitgesproken dan van het mannetje. De staart is vrij kort en licht gevorkt.

Woestijnvogels
Diksnavelleeuweriken houden van droogte. Ze zijn zowel midden in de hete woestijn te vinden als langs de meer begroeide randen, waar schaduw voorhanden is. Zelfs in gebieden waar minder dan tweehonderd millimeter regen per jaar valt kunnen ze overleven. Licht golvend terrein met een droge, stenige bodem heeft hun voorkeur. Daarnaast houden ze zich op in droge rivierbeddingen en op steppes met schaarse begroeiing. Het voedsel bestaat voornamelijk uit zaden en af en toe een insect of wat groente.

De broedtijd valt in februari en maart. Het mannetje stijgt uitbundig zingend omhoog en dwarrelt vervolgens als een parachute naar beneden. Zo verdedigt hij zijn territorium en probeert hij potentiële partners te imponeren. Het nest is niet meer dan een ondiep kuiltje in de grond, naast een steen of een bosje, met aan de onbeschutte kant een stapeltje kiezels. Het legsel bevat meestal vier eieren. Het vrouwtje bebroedt ze, maar beide ouders brengen de jongen groot. Het is niet bekend hoe lang de broedtijd precies duurt en na hoeveel dagen de jongen uitvliegen.

Meer informatie

Friday, February 25, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark