Dikbekraaf
| Gegevens type-exemplaren | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.AVES.101484, 101485 |
| Status | Paralectotypes |
| Naam | Corvus crassirostris Rüppell, 1835 |
| Huidige naam | Corvus crassirostris Rüppell, 1835 |
| Verzameld | Ethiopië |
Grootste zangvogel uit de Hoorn van Afrika
De dikbekraaf is de grootste kraaiachtige en tevens de grootste zangvogel. Zoals zijn naam al doet vermoeden, is zijn snavel erg fors. De ontdekking van de dikbekraaf hebben we te danken aan de Duitse natuurwetenschapper Eduard Rüppell. Vanaf 1817 bereisde Rüppell verschillende regio’s in het noordoosten van Afrika. Hij kon zo als een van de eersten witte vlekken op de kaart invullen. Coenraad Jacob Temminck, ornitholoog en directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, wist twee door Rüppell verzamelde dikbekraven te bemachtigen.
Pionier in Afrika
De Duitse natuuronderzoeker Wilhelm Peter Eduard Simon Rüppell (1794-1884) was gek op het noordoosten van Afrika. In 1817 reisde hij voor het eerst naar dit continent, dat nog veel geheimen kende. Avontuurlijk als hij was bezocht Rüppell gebieden waar nauwelijks buitenlanders, laat staan natuuronderzoekers, waren geweest. Hij zond de zoogdieren en vogels naar Duitsland, waar zijn collectie de basis vormde voor het Senckenberg Museum in Frankfurt. In een van zijn werken beschreef hij Corvus crassirostris als nieuwe soort. Vanzelfsprekend had hij bij de toekenning van de soortnaam oog voor de dikke bek van de raaf (crassis = dik, rostris = bek).
Zoektocht naar typen
Rüppell schreef dat hij op zijn onderzoeksreizen naar de hooglanden van Ethiopië één dikbekraaf verzamelde. Maar uit zijn soortbeschrijving blijkt dat hij meerdere exemplaren in bezit had. Waarschijnlijk had hij die gekregen van Martin Bretzka, die voor Rüppell werkte en ook in Afrika vogelmateriaal bijeenbracht. Recent onderzoek bracht het bestaan van vijf syntypen aan het licht. Twee daarvan bevinden zich in de collectie van NCB Naturalis in Leiden. Coenraad Jacob Temminck verwierf deze exemplaren dankzij zijn goede contacten met Rüppell. Brieven in het archief van NCB Naturalis laten zien hoe verbeten hij soms vocht om bijzondere vogelsoorten voor zijn museum te verwerven. Dat is begrijpelijk als we weten dat natuurhistorische musea hun wetenschappelijke status destijds voor een belangrijk deel ontleenden aan de kwaliteit van de collectie. In 1949 werd één van de syntypen van Corvus crassirostris uit het Senckenberg Museum aangewezen als lectotype. De exemplaren van NCB Naturalis kregen daarmee automatisch de status van paralectotypen.
Wilhelm Peter Eduard Simon Rüppell (1794-1884).
AaseterDe dikbekraaf is nauw verwant met de witnekraaf Corvus albicollis en lijkt er ook sterk op, maar met een lengte tot 64 centimeter en een lichaamsgewicht van anderhalve kilo is hij groter en zwaarder. Bovendien heeft hij een veel langere staart en een grotere, meer gekromde snavel. De snavel, die eindigt in een witte punt, is een krachtig stuk gereedschap. Gleuven in de snavel verbeteren het reukvermogen.
Door de korte nekveren en de witte vlek achterop de kop heeft de dikbekraaf iets weg van een aasgier. Als hij vliegt strekt hij zijn nek naar voren uit en dan doet hij weer denken aan een neushoornvogel. Mannetje en vrouwtje zijn beide diepzwart met een olieachtige gloed over de veren.
Verspreiding
Dikbekraven zijn algemeen in de hooglanden van Eritrea en in Ethiopië. Ze komen tot op een hoogte van 4000 meter voor. Ravijnen, steile bergwanden, puinhellingen, kloven en kliffen zijn favoriete verblijfplaatsen. Ook in uitgestrekte berggraslanden, subtropische bossen, olijfboomgaarden en grote stadstuinen voelen ze zich thuis. De paralectotypes zijn afkomstig uit Ethiopië.
Dood doet leven
Dikbekraven zijn alleseters, maar ze voeden zich vooral met aas. Dankzij hun goede reuk zijn ze vaak als eerste bij een dood dier. Met de krachtige en scherpe snavel scheuren de vogels het kadaver open. Dankzij de korte kopveren raken ze niet besmeurd met bloed. Met kadavers van antilopen en andere grote zoogdieren hebben dikbekraven moeite. Ze wachten geduldig tot er gieren verschijnen die de huid openscheuren. Om die reden vergezellen dikbekraven vaak lammergieren. Op zoek naar maden schudden ze soms mest uit. Ook doen ze zich weleens tegoed aan graan. Soms gaan ze zo gulzig tekeer dat de oogst worden vernield.
Dikbekraaf. Foto: wikimedia
Vliegkunstenaars
Zoals vrijwel alle kraaiachtigen zijn dikbekraven behendige vliegers. Ze kunnen uren spelen in de wind. Zeilend en buitelend langs steile kliffen en loodrechte bergwanden geven ze een show ten beste. Hoewel ze meestal paarsgewijs leven en territoriaal zijn, vormen ze soms ook groepjes van vier tot tien individuen. Dikbekraven zijn te herkennen aan hun kenmerkende roep. Mooi klinkt die niet: hoewel het zangvogels zijn stoten ze een ruw en rochelend keelgeluid uit. In de wintermaanden bouwen ze een nest op de rotsen of hoog in een boom. Het legsel bestaat meestal uit vier blauwgekleurde eieren met bruinrode vlekken.
- Dekker R.W.R.J & C. Quaisser 2006. Type specimens of birds in the National Museum of Natural History, Leiden. Part 3. Passerines: Pachycephalidae – Corvidae (Peters's sequence). NNM Technical Bulletin 9: 1-77. http://www.repository.naturalis.nl/record/209741
- Madge S. & H. Burn 1994. Crows and Jays: a guide to the crows, jays and magpies of the world. Christopher Helm, London.
-
Rüppell E. 1835-1840. Neue Wirbelthiere zu der Fauna von Abyssinien gehörig, entdeckt und beschrieben von Dr Eduard Rüppell. Vögel. Frankfurt am Main.
-
Steinheimer F.D. 2005. Eduard Rüppell's types at the Natural History Museum, Tring. Senckenbergiana Biologica 85: 233-264.
Friday, February 25, 2011