Bruinborstrietvink

Bruinvborstrietvink_zijkant_Key Visual.jpg

Gegevens type-exemplaren  
Collectie NCB Naturalis
Nummer  RMNH.AVES.19306 (holotype), 19294-19305, 19307-19318, 19320-19332
Status 1 holotype, 37 paratypen
Naam Lonchura castaneithorax [sic] boschmai Junge, 1952
Huidige naam Lonchura castaneothorax boschmai Junge, 1952
Verzameld Nieuw-Guinea

 

Individuen van een soort zien er nooit voor de volle honderd procent hetzelfde uit. Omdat er uiterlijke verschillen zijn, baseren wetenschappers hun definitie van een soort bij voorkeur niet op één maar op meerdere exemplaren. Zoveel als gebruikt zijn voor de bruinborstrietvink uit Nieuw-Guinea is echter ook weer niet nodig. Een hele zwerm werd in 1939 gevangen, 38 vogels in getal. Een uitgelezen kans om de individuele verschillen binnen de soort te documenteren, maar niet echt noodzakelijk. Stuk voor stuk werden ze aangewezen als paratypen van Lonchura castaneothorax boschmai. Mooi is wel dat ze daardoor ook in de vogelcollectie van NCB Naturalis als 'zwerm' bij elkaar bleven en hierin nu met afstand de omvangrijkste type-serie vormen.


Een hele zwerm als type
Op een expeditie die in 1939 werd gehouden naar de Wisselmeren in Nieuw-Guinea, verrasten Nederlandse biologen een zwerm bruinborstrietvinken. Ze slaagden erin om in een klap 38 exemplaren te vangen. De vogels werden geprepareerd en naar Nederland gestuurd, waar ze terechtkwamen in het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden, om pas veel later te worden onderzocht. Vermoedelijk verhinderde het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog wetenschappers er naar te kijken. In 1952 werden de vinken dan eindelijk bestudeerd door vogelconservator George Junge (1905-1962). Dat ze deel uitmaakten van een populatie, op hetzelfde moment en op dezelfde plaats gevangen, was een wetenschappelijke buitenkans. Junge kon de kenmerken van de soort dan ook uiterst nauwgezet in kaart brengen. Kleine verschillen tussen de vogels vatte hij op als individuele variatie en hij besloot 37 dieren aan te wijzen als paratypen. Een exemplaar met ‘gemiddelde kenmerken’ kreeg de status van holotype. Vervolgens beschreef Junge de soort als Lonchura castaneithorax boschmai. Met de soortnaam eerde de ornitholoog directeur Hilbrand Boschma (1893-1976) van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie. Junge maakte helaas een schrijffout: in plaats van castaneothorax schreef hij castaneithorax. In publicaties is men verplicht de door Junge foutief gespelde soortnaam te gebruiken, maar omdat het in dit geval overduidelijk is, zijn er verder geen nomenclatorische consequenties aan verbonden.

 

Bruinborstrietvink_onderkant 500.jpg

Holotype van de bruinborstrietvink Lonchura castaneithorax boschmai. RMNH.AVES.19306. Foto © NCB Naturalis.

Prachtvink
Bruinborstrietvinken behoren tot de prachtvinken Estrildidae, populaire hobbyvogels vanwege hun fraaie kleuren. De ondersoort Lonchura castaneothorax boschmai wordt zo'n tien centimeter lang en heeft een zwarte kop met een grijze kroon tot achterin de nek. In tegenstelling tot andere ondersoorten is de borst kaneelkleurig in plaats van kastanjebruin. Hetzelfde geldt voor de rug- en vleugelveren. De staartveren zijn geel omzoomd. Opvallend is de zwarte band die de kaneelkleurige borst scheidt van de witte buik. In de schakering van de kleuren is per individu sprake van subtiele verschillen.

Grasvogels
Bruinborstrietvinken zijn vaak te vinden in rietvelden en graslanden langs rivieren en moerassen. De ondersoort L. C. boschmai verblijft liever in drogere bosgebieden en waagt zich niet in de buurt van wegen of open plekken tussen de bomen. Rietvinken zijn sociale vogels. Tijdens het broedseizoen leven ze in paren, maar daarbuiten vormen ze grote zwermen van enkele honderden exemplaren. Als een grote vliegende wolk gaan ze op zoek naar graszaden. Met grote behendigheid bewegen ze over de halmen om de zaden vakkundig uit het vlies te peuteren. Ook het nestelen is een sociaal gebeuren. De vogels bouwen een klein ovaal nest op een meter boven de grond in stevig gras, riet, maïs of bamboe. Soms liggen de nesten minder dan een meter van elkaar. Van binnen bekleedt het vrouwtje het met fijnere, zachtere grassen en bloemen, die haar door het mannetje worden aangereikt. Het legsel omvat vijf tot zes ovale eieren. Ze zijn wit van kleur en worden een kleine twee weken bebroed. Na ruim twintig dagen vliegen de jongen uit en voegen ze zich tussen hun soortgenoten om met de zwerm mee te gaan, op zoek naar voedsel. Meteen nadat de jongen zijn uitgevlogen, begint het ouderpaar aan een nieuw nest. Onder gunstige omstandigheden kunnen ze tot drie legsels per jaar grootbrengen.

Nieuw-Guinea_klaar_voor_web.png

Verspreiding
Lonchura castaneothorax boschmai is een van de zes ondersoorten van de bruinborstrietvink. Twee ervan leven in Australië; de andere vier in Nieuw-Guinea, elk in een eigen gebied. Lonchura castaneothorax boschmai leeft rondom de Wisselmeren in Papoea, het westelijke deel van Nieuw-Guinea. Hij wordt ook wel bruinborstrietvink van de Wisselmeren genoemd.

Stomme zang
Mannetjes vallen op door hun zang, of beter gezegd door het ontbreken ervan. Ze bewegen eerst enkele keren met hun snavel voordat er geluid komt. Produceren ze supersone geluiden die buiten het menselijk gehoor liggen? Of is het een stomme zang en gebruiken ze de snavelbewegingen om mannelijke soortgenoten te imponeren of te misleiden? Het geluid dat daarna komt ligt wel in het menselijke gehoorgebied en draagt erg ver. Een riedel eindigt vaak in enkele geknepen, maar zeer hoge slotnoten of in een soort beltoontje (‘tching tching’). Mannetje en vrouwtje laten elkaar met een luid en onafgebroken ‘pup-pup-pup’ weten waar ze zitten. Pas als ze weer bij elkaar zijn, staken ze hun contactroep.

Nieuw-Guinea-expeditie
De Nieuw-Guinea-expeditie van 1939 naar het gebied van de Wisselmeren was een onderneming van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap (KNAG). Dit genootschap, opgericht in 1873, stond vroeger bekend vanwege de expedities naar onbekende gebieden. Tegenwoordig is het KNAG een vereniging van aardrijkskundedocenten, die tijdens jaarlijkse bijeenkomsten ideeën, informatie en ervaringen uitwisselen. Daarnaast richt het genootschap zich op de promotie van het vakgebied geografie. Het beheert nog steeds een archief met duizenden authentieke kaarten en originele expeditie-uitrustingsstukken.

 

Meer informatie

Thursday, February 24, 2011 author: Marije Siemensma, Caroline van der Mark