Bensbachs paradijsvogel
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.AVES.90593 |
| Status | Holotype |
| Oude naam |
Janthothorax Bensbachi Büttikofer, 1895 |
| Huidige naam | Janthothorax bensbachi Büttikofer, 1895 |
| Verzameld | Arfakgebergte, NW Nieuw-Guinea |
Twijfelgeval
Is Bensbachs paradijsvogel een aparte soort of een kruising? Toen Johan Büttikofer in 1894 een exemplaar in handen kreeg, was hij ervan overtuigd een nieuwe soort te hebben ontdekt. De vogel komt echter in bepaalde kenmerken overeen met andere paradijsvogels en kan evengoed als een kruising worden gezien. Wetenschappers zijn er nog niet over uit.
Wetenschappelijke twistDe Zwitserse ornitholoog Johan Büttikofer (1850-1927) kreeg het exemplaar van Bensbachs paradijsvogel rond 1894 in handen, toen hij als vogelconservator bij het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden werkte. Het leek om een onvolwassen dier te gaan met een nog niet volledig ontwikkeld verenkleed. Dit maakte de determinatie niet eenvoudiger. Na uitgebreide studie kwam Büttikofer tot de conclusie dat het een nieuwe soort betrof. Hij doopte het Janthothorax bensbachi, een eerbetoon aan Bensbach die de vogel verzamelde.
In 1930 bestudeerde Erwin Stresemann (1889-1972) het holotype. De vogelconservator van het natuurhistorisch museum van Berlijn was het niet eens met de toewijzing als nieuwe soort. Volgens hem was Janthothorax bensbachi een kruising tussen Paradisaea minor en Ptiloris magnificus, twee paradijsvogels die eveneens in het Arfakgebergte leven. De zwarte buik en de karakteristieke glans duidden naar zijn mening op een nauwe verwantschap met Ptiloris magnificus. Dit argument is niet geheel overtuigend, want veel paradijsvogels hebben een zwarte buik en een glanzend verenkleed. Het was dan ook niet Stresemanns enige overweging. Hij benadrukte het feit dat andere afwijkende paradijsvogels vaak hybriden zijn. In 1998 kreeg Stresemann bijval van de ornithologen Frith & Beehler (1998).
Als we het collectielabel bestuderen, zien we echter dat niet iedereen hen gelijk geeft. Op het label staat namelijk een notitie van Errol Fuller, paradijsvogelexpert en auteur van het standaardwerk The lost birds of paradise. Op de notitie uit 1991 zegt hij: 'Het verenkleed wijst niet overduidelijk naar een specifieke combinatie van oudersoorten. De vogel zou – zoals oorspronkelijk ook is beschreven – een aparte soort kunnen zijn.'
Verspreiding
Het enige bekende exemplaar is verzameld in het Arfakgebergte in het noordwesten van Nieuw-Guinea. Informatie over de herkomst is helaas erg summier. Jacob Bensbach, naar wie de vogel is vernoemd, bracht het exemplaar in 1894 naar Leiden, toen hij vanuit de Molukken terugkeerde naar Nederland.
Bovenzijde van Janthothorax bensbachi RMNH.AVES.90583. Foto © Naturalis.
Ianthothorax benzbachi, hier foutief met een 'z' geschreven. Tekening van John Gould.
Uiterlijk
Bensbachs paradijsvogel is een vrij kleine paradijsvogel, die van het puntje van de snavel tot de tip van de staart 53 centimeter meet. Poten en snavel zijn zwart. De kop is bedekt met prachtige blauwgroene veertjes. Over de bronsgroene borst ligt een violette glans. De vogel dankt daaraan zijn naam: ianthis (Grieks) = violet, thorax = borst. De diepzwarte veren op de rug, de onderzijde van de buik en de vleugels stralen een paarsgroene, olieachtige glans uit. Op de flanken is de vogel getooid met donkerbruine sierpluimen; ook de staart valt extra op door twee lange veren.
DNA-analyse
Zoals zo vaak zijn de geleerden het dus niet met elkaar eens. Misschien kan een toekomstige analyse van het DNA uitkomst bieden. Het bewaarde exemplaar is in uitstekende conditie, zodat mogelijk de erfelijke code is te ontcijferen. Dan kan misschien de vraag worden beantwoord of Janthothorax bensbachi een kruising is of toch een zelfstandige soort.
| Goddelijke vogels In 1522 waren paradijsvogels voor het eerst in Europa te zien. Het betrof een geschenk voor de koning van Spanje, door Linnaeus beschreven als Paradisaea apoda, wat letterlijk 'pootloze uit het paradijs' betekent. Bewoners van Papoea Nieuw-Guinea prepareerden paradijsvogels om ze als versiering of handelswaar te gebruiken. Hiervoor droogden ze de dieren in een rookhut. Het ging de eilandbewoners om het verenkleed en daarom verwijderden ze de grote poten en de schedel. Zo verschenen de eerste paradijsvogels in Europa en ontstond de mythe dat de vogels zonder poten veroordeeld waren om eeuwig te vliegen, hoog boven de aarde, voor voedsel aangewezen op hemelse dauwdruppels. Paradijsvogels zouden zelfs in de lucht broeden, zo dacht men, waarbij het ei in een holte op de rug van het mannetje lag en het wijfje erop zat om ze uit te broeden. Pas als ze stierven kwamen ze op aarde en konden mensen hun hemelse schoonheid aanschouwen. |
Papoea met hoofdtooi van paradijsvogelveren. |
Meer informatie
-
Büttikofer J. 1895. On two new Birds of Paradise. Notes from the Leyden Museum 16: 161-165.
-
Dekker R.W.R.J & C. Quaisser 2006. Type specimens of birds in the National Museum of Natural History, Leiden. Part 3. Passerines: Pachycephalidae– Corvidae (Peters's sequence). NNM Technical Bulletin 9: 1-77. http://www.repository.naturalis.nl/record/209741
- Frith C.B. & B.M. Beehler 1998. The Birds of Paradise. Bird Families of the World. Oxford, New York, Tokyo.
- Fuller E. 1995. The lost birds of paradise. Swan Hill Press, Shrewsbury.
- Stresemann E. 1930. Welche Paradiesvogelarten der Literatur sind hybriden Ursprungs? Novitates Zoologicae 36: 6-15.
- DNA maakt de soort (webdossier).
Wednesday, February 23, 2011

