Wetenschappelijke naamgeving van soorten en type-exemplaren
Het beschrijven van een nieuwe soort is aan tal van regels gebonden. De moderne wetenschappelijke naamgeving is terug te voeren op de Zweedse natuurwetenschapper Carolus Linnaeus (1707-1778), die een tweeledig naamsysteem invoerde. Om een soort te benoemen zijn een of meerdere exemplaren nodig die de kenmerken van de soort duidelijk laten zien, zogenaamde type-exemplaren. Wetenschappelijk gezien zijn dit de belangrijkste objecten in museumcollecties. Als een bioloog vermoedt dat hij een nieuwe soort heeft ontdekt, controleert hij aan de hand van type-exemplaren of die soort niet eerder beschreven is.
Dubbele naam
Linnaeus voerde de zogenaamde binomiale nomenclatuur in, een systeem van tweeledige naamgeving waarbij iedere soort een genusnaam krijgt, gevolgd door een soortnaam. De genusnaam is vergelijkbaar met de achternaam van mensen: het geeft aan tot welk geslacht een soort behoort. Zo vallen veel van de grote katten onder het geslacht Panthera. De soortnaam is te vergelijken met de voornaam. Deze naam geeft, in combinatie met de genusnaam, aan over welke soort we het hebben. Zo luidt de wetenschappelijke naam van de tijger Panthera tigris, terwijl we de leeuw Panthera leo noemen. Soms wordt aan deze twee namen nog een derde toegevoegd (trinaire naamgeving) om een ondersoort aan te geven. De Javaanse tijger Panthera tigris sondaica wordt bijvoorbeeld als een ondersoort gezien van Panthera tigris.
Carolus Linnaeus (1707-1778), geschilderd door Hendrik Hollander.
Regels
Vrijwel dagelijks worden nieuwe soorten planten en dieren, zowel recent als fossiel, beschreven. De regels waaraan een dergelijke beschrijving moet voldoen, zijn vastgelegd in de International Code of Zoological Nomenclature en International Code of Botanical Nomenclature (ICZN en ICBN). De belangrijkste regels luiden:
- De naam moet voldoen aan de binominale naamgeving. Als we een nieuwe soort vinden, moeten we dus aangeven in welk geslacht de soort thuishoort. Eventueel kunnen we een nieuw geslacht beschrijven.
- De naam moet gegeven worden in het Latijn.
- De naam mag nog niet aan een andere soort zijn gegeven. Dat is logisch, maar het kan voorkomen dat iemand niet in de gaten heeft dat een naam al in gebruik is. In dat geval moet de naam van de soort die het laatst is beschreven, worden veranderd.
- De naam moet gepubliceerd zijn. Als iemand een nieuwe soort beschrijft, is het immers belangrijk dat iedereen daar kennis van kan nemen.
- De naam van degene die de soort benoemd heeft, moet bij de soortnaam vermeld worden, gevolgd door het jaartal waarin de soort is benoemd.
- De beschrijving en benoeming van een soort moet gebaseerd zijn op echte exemplaren van de soort uit de natuur. Deze moeten als type-exemplaren worden bewaard in een museumcollectie en gemakkelijk toegankelijk zijn voor onderzoekers.
Type-exemplaren
Het is belangrijk dat we bij het beschrijven van een nieuwe naam aangeven op welk exemplaar we de nieuwe soort baseren. Deze dieren, planten of fossielen worden typen genoemd. Eén van deze exemplaren wordt aangewezen als het holotype. Een holotype dient als een soort ijkpunt: alles wat tot dezelfde soort behoort als dat holotype, moet dezelfde naam krijgen. De overige exemplaren die we gebruiken bij het beschrijven van een nieuwe soort, worden paratypen genoemd. Met name vroeger kwam het regelmatig voor dat een wetenschapper geen holotype beschreef. In dat geval noemen we alle specimen die hij bij het maken van een naam gebruikt heeft syntypen. Eventueel kan daaruit door iemand anders later nog één exemplaar worden uitgelicht als een soort holotype, dat dan het lectotype wordt genoemd. Binnen de naamgeving spelen typen een belangrijke rol. Daarom worden ze in musea zoals NCB Naturalis extra zorgvuldig bewaard.
Een rode stip vertelt dat er in deze pot een holotype zit. Het etiket vertelt van welke soort: Chioglossa lusitanica longipes, een salamander die in 2007 is beschreven door de biologen Arntzen en Alexandrino.
-ae, -i, -ensis
Hoe komen we aan een naam? Voor meisjes- en jongensnamen kunnen we in de winkel een boek halen. Wetenschappelijke namen moet je echter zelf verzinnen. Sommige wetenschappers zijn daar heel goed in. Ze halen, al dan niet met behulp van boeken, de mooiste namen uit de kast. Sorex bor bijvoorbeeld is een fossiele spitsmuis uit Hongarije, die vernoemd is naar het Hongaarse woord voor wijn (bor), die rijkelijk vloeide tijdens het veldwerk. Andere wetenschappers zijn gemakzuchtiger. Een veel gebruikte methode om aan namen te komen is om mensen te vernoemen. Dan krijgen we namen als reinwardtii of vandenboomae. De uitgang -i wordt gebruikt als een soort naar een man wordt vernoemd, de uitgang -ae als een vrouw is vernoemd. Ook zijn veel namen terug te voeren op vindplaatsen. Dan is de uitgang -ensis. Zo is de wetenschappelijke naam van de aapmens Lucy Australopithecus afarensis (de Australopithecus uit Afar).
Monday, March 14, 2011

