Reinwardts vliegende kikker
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.RENA.1870 |
| Status | Syntype |
| Naam |
Hyla Reinwardtii Schlegel, 1844 |
| Huidige naam |
Rhacophorus reinwardtii (Schlegel, 1844) |
| Verzameld | Java, Indonesië |
Als kikkers konden vliegen ...
Leven hoog in de bomen van het tropisch woud vergt de nodige aanpassingen. Een van de grootste problemen is: hoe kom je naar een andere boom als de weg over de grond gevaarlijk is? Bij sommige boombewonende kikkers, slangen en hagedissen is in de loop van de evolutie een oplossing ontstaan: ze kunnen vliegen. Ook Reinwardts vliegende kikker komt op die manier snel en veilig aan de overkant.
Ontdekking
Reinwardts vliegende kikker is voor het eerst wetenschappelijk beschreven door Hermann Schlegel (1804-1884). Behalve directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie in Leiden was Schlegel ook conservator gewervelde dieren. Hij beschreef Hyla Reinwardtii in 1844 aan de hand van twee exemplaren die op Java waren verzameld door Heinrich Boie (1794-1827) en Heinrich Christian Macklot (1799-1832). De kikkers werden als syntypen opgenomen in de collectie van het museum. De soortnaam reinwardtii is een eerbetoon aan Caspar Georg Carl Reinwardt (1773-1854), hoogleraar botanie, chemie en natuurlijke historie aan de Universiteit van Harderwijk en later directeur van ’s Lands Kabinet van Natuurlijke Historie, dat in 1808 in Amsterdam werd opgericht door Koning Lodewijk Napoleon. In 1815 werd Reinwardt benoemd tot directeur van Landbouw in Oost-Indië en in die functie bereisde hij tot 1822 grote delen van Indonesië en Maleisië. Hij kwam door nagenoeg onbekende streken, waar hij belangrijke waarnemingen en ontdekkingen deed die hij later zou publiceren. In 1817 richtte hij 's Lands Plantentuin te Buitenzorg op Java op, waar planten werden gekweekt en bestudeerd. De huidige naam van dit onderzoekscentrum op Java is Kebun Raya Bogor. Na zijn terugkeer naar Nederland werd Reinwardt hoogleraar zoölogie aan de Universiteit Leiden. Zijn naam blijft aan de vliegende kikker verbonden, hoewel het dier inmiddels in een ander geslacht (Rhacophorus) is geplaatst.
Vliegvliezen
Om te kunnen zwemmen, hebben kikkers vliezen tussen hun tenen. Sommige boomkikkers hebben die vliezen niet nodig, omdat ze grotendeels buiten het water leven. Ook Reinwardts vliegende kikker leeft vrijwel permanent in bomen, maar toch heeft hij vliezen tussen zijn vingers en tenen. Hij gebruikt ze om zich door de lucht te verplaatsen. Actief vliegen kan hij niet, het is meer een soort zweven. Om naar een andere boom te komen, duwt de kikker zich krachtig af van het blad waarop hij zit. Meteen strekt hij zijn voor- en achterpoten en spreidt zijn vingers en tenen zo wijd mogelijk. De vliezen vergroten het draagvermogen en stellen hem in staat om een glijvlucht van tientallen meters te maken, genoeg om een andere boom te bereiken. Net als bij een parachute voorkomen de vliezen dat de kikker te snel daalt. Door de stand van zijn poten te veranderen, is de vlucht een beetje bij te sturen. Het 'landingsgestel' is ook speciaal: aan de onderkant van de vingers en tenen zitten microscopisch kleine hechtschijfjes. Hiermee blijft de kikker zelfs aan de gladste bladeren kleven.
Reinwardts vliegende kikker. Syntype, RMNH.RENA.1870. Foto © NCB Naturalis.
Uiterlijk
Reinwardts vliegende kikker is vrij groot: volwassen dieren bereiken een lengte van maximaal negen centimeter. Vrouwtjes zijn groter dan mannetjes. Zoals veel boomkikkers is ook Reinwardts vliegende kikker felkleurd. Het lichaam is lichtgroen tot donkergroen, de buik rood-oranje, de flanken zijn voorzien van een felblauwe streep, en ook de vingers en tenen zijn blauw.
Verspreiding
Reinwardts vliegende kikker komt voor in dichte regenwouden van
Indonesië, Maleisië, Viëtnam, Laos en China. Het voortbestaan van de
soort wordt bedreigd door watervervuiling en houtkap. De twee syntypen zijn gevonden op het eiland Java, Indonesië.
Schuimbad
Volwassen exemplaren leven vrijwel permanent op hoogte. Meestal zitten ze stil op een blad te wachten tot er een vlieg, rups of ander hapje voorbijkomt. Ze komen alleen op de grond om zich voort te planten. In de paartijd verzamelen ze zich op speciale plekken langs het water. Paartjes maken een schuimnest op een blad dat boven een poeltje of beekje hangt. Om zo'n nest te maken, scheidt het vrouwtje een eiwitrijk slijm uit, dat ze vervolgens met haar achterpoten opklopt tot schuim. In het schuimnest legt ze tot achthonderd eieren. Soms kloppen meerdere vrouwtjes een gemeenschappelijk schuimnest, dat zodoende behoorlijk groot kan worden. De positie van het nest is slim gekozen. Als de kikkervisjes uit het ei komen, vallen ze in het water, waar hun verdere ontwikkeling tot kikker plaatsvindt. Zodra ze volwassen zijn, verlaten ze het water en klimmen in een boom, om daar de rest van hun leven te slijten.
Meer informatie
- de Vriese W.H. (red.) 1858. Reinwardt’s reis naar het oostelijk gedeelte van den Indischen Archipel in het jaar 1821, uit zijn nagelaten aantekeningen opgesteld, met een levensberigt en bijlagen vermeerderd (...) Amsterdam: Werken van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde. Tweede afdeeling. [Afzonderlijke werken.]
- Levensberigt van Casper Georg Carl Reinwardt. In: Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren, online versie hier.
- Reinwardt C.G.C. 1858. Reis naar het oostelijk gedeelte van den Indischen archipel, in het jaar 1821. Amsterdam: F. Muller
- Schlegel H. 1837-1844. Abbildungen neuer oder unvollständig bekannter Amphibien, nach der Natur oder dem Leben entworfen. Arnz & Comp., Düsseldorf.
Thursday, March 3, 2011
