Zwartgestippelde boomkikker
| Gegevens type-exemplaar | |
| Collectie | NCB Naturalis |
| Nummer | RMNH.RENA.4421 |
| Status | Syntype |
| Naam | Hyla Bernsteini Horst, 1883 |
| Huidige naam | Litoria nigropunctata (Meyer, 1874) |
| Verzameld | Gebeh, Irian Jaya, Indonesië |
Een nieuwe soort voor meer aanzien
Kennis is macht. Aan het eind van de negentiende eeuw maten Europese koloniale mogendheden hun onderlinge kracht af aan de omvang en rijkdom van hun bezittingen, maar ook aan de kennis die ze wisten te verzamelen over hun overzeese gebiedsdelen. Nederland was met Engeland verwikkeld in een strijd om als eerste nieuwe gebieden te bereiken. Wie dat lukte, ontdekte gegarandeerd nieuwe soorten. De gepassioneerde arts H.A. Bernstein trok er voor Nederland op uit om de natuur van de Indische eilanden in kaart te brengen. Een van de nieuwe diersoorten die hij ontdekte was de zwartgestippelde boomkikker.
Kikker uit de Oost
In 1883 werd de zwartgestippelde boomkikker door conservator Rutgerus Horst van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie als nieuwe soort beschreven. In zijn publicatie in het tijdschrift Notes from the Leyden Museum beschreef Horst ook andere kikkers die nieuw waren voor de wetenschap. Al die kikkers waren in de Nederlandse koloniën 'in de Oost' (Maleisië en Nederlands Indië) verzameld. De vroegtijdig overleden natuuronderzoeker Heinrich Agathon Bernstein (1828-1865) heeft aan die verzameling een belangrijke bijdrage geleverd. Om Bernstein te eren, doopte Horst de zwartgestippelde boomkikker Hyla Bernsteini. Later bleek dat de soort al in 1874 als Hyla nigropunctata was beschreven door de zoöloog Meyer. De soortnaam Hyla Bernsteini werd ongeldig verklaard.
Passie voor de natuur
Bernstein was arts, maar zijn passie lag bij de natuurlijke historie. In 1860 werd hij, na een briefwisseling met de directeur van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, Hermann Schlegel, aangesteld om onderzoek te doen in Nieuw-Guinea en op Halmahera, het grootste eiland van de Molukken. Bernsteins onderzoek pastte in het streven van de Nederlandse regering en van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie om meer kennis te krijgen van de natuur in de overzeese gebiedsdelen.
Het was altijd Bernsteins wens geweest om zelf onderzoek te doen in Nieuw-Guinea en nu kreeg hij daar de kans toe. Hij begon zijn verzamelreizen vanuit Ternate, een klein eiland bij Halmahera. Na vijf jaar rondreizen, ziektes en conflicten met de plaatselijke bevolking, vertrok Bernstein eindelijk naar zijn gedroomde bestemming. Helaas zou hij Nieuw-Guinea nooit bereiken. Door het jarenlange verblijf in de tropen was zijn gezondheid dermate aangetast dat hij in 1865 kwam te overlijden. Tragisch genoeg gebeurde dit vlak voor de kust van Nieuw-Guinea, op het eiland Pulau Senapan.
Ondanks zijn vroege dood heeft Bernstein veel bijgedragen aan de kennis van de natuur van Nederlands-Indië. Tijdens zijn verblijf op de Molukken wist hij een zeer omvangrijke collectie dieren bijeen te brengen, waaruit later veel nieuwe soorten zijn beschreven. Door zijn vroegtijdige overlijden kwam hij daar zelf helaas niet aan toe. Bernstein hield nauwkeurige aantekeningen bij van alles wat hij verzamelde, en daardoor is de wetenschappelijke waarde van zijn collectie groot.
Zwarte stippen
De door Bernstein ontdekte zwartgestippelde boomkikker kan drie tot vier centimeter lang worden en is grijsgroen van kleur. De kikkers hebben een gladde huid die, zoals de naam aangeeft, getooid is met zwarte stippen (nigrum = zwart, punctata = gestippeld). De verschillende populaties van deze kikker hebben net iets andere kleuren, variërend van groengeel tot grijs en bruin, maar hun stippen zijn vrijwel altijd zwart. Ook is meestal de binnenzijde van de voor- en achterpoten geel. Onder de tenen zitten hechtschijfjes, waarmee de kikkers zich goed kunnen vasthouden aan gladde stammen, takken en bladeren.

Verspreiding De zwartgestippelde boomkikker komt uitsluitend voor in het noorden van Nieuw-Guinea en op de eilanden Gebeh en Yapen. De syntypen zijn afkomstig van het eiland Gebeh.
Bosliefhebber
De kikkers houden zich bij voorkeur op in de buurt van beekjes. Ze leven vooral in laaglandregenwoud, maar kunnen desondanks tot op grote hoogte voorkomen: ze zijn zelfs op 1000 meter boven zeeniveau gevonden. Open landschap mijden ze. Waar het bos aangetast is door menselijke activiteit, bijvoorbeeld door landbouw of veeteelt, zijn ze verdwenen. Gelukkig zijn de kikkers zo algemeen dat ze nog niet in hun voortbestaan worden bedreigd.
In de paartijd roepen de mannetjes de vrouwtjes vanaf een tak of blad vlak boven een poeltje of beekje. Hoe klein ze ook zijn, het geluid dat ze voortbrengen is oorverdovend! Na de paring zetten de vrouwtjes minuscule eitjes af aan het wateroppervlak. Ze zitten met honderden in trossen bijeen, zijn bruin van kleur en amper twee millimeter groot. De kikkervisjes verblijven in het water tot hun poten volledig ontwikkeld zijn. Ze klimmen dan via stammen en takken omhoog om hun verdere leven in de bomen te slijten.
Syntype van Hyla Bernsteini. Foto: NCB Naturalis.
Buitenbeentje
Taxonomisch gezien is de zwartgestippelde boomkikker een speciaal geval. Onderzoekers vermoeden dat het niet om één soort gaat, maar om een aantal soorten die zeer lastig van elkaar te onderscheiden zijn, een zogenaamd soortencomplex. Amfibieënkenners spreken daarom niet meer over de soort Litoria nigropunctata, maar over de Litoria nigropunctata-groep. Verder onderzoek is nodig om te bepalen hoeveel soorten deze groep precies omvat en hoe ze van elkaar te onderscheiden zijn. Voor evolutiebiologen is het onderzoek aan de groep een dankbaar onderwerp van studie. Het kan veel duidelijk maken over het proces waardoor een vooroudersoort zich ontwikkelt tot nieuwe soorten. Ook bij deze kikker gaat men ervan uit dat een vooroudersoort zich heeft opgesplitst in meerdere soorten als gevolg van adaptieve radiatie. Bij dit proces zijn de populaties waaruit de vooroudersoort bestond aangepast geraakt aan verschillende omstandigheden, bijvoorbeeld het type boom of de plek in de boom waar ze leven. Deze aanpassing uit zich in kleine uiterlijke verschillen die door nauwkeurig onderzoek in kaart te brengen zijn. Daarom onderzoeken evolutiebiologen graag een groot aantal exemplaren.
Meer informatie
- Bernstein H.A. 1883. Dagboek van dr. H.A. Bernstein's laatste reis van Ternate naar Nieuw-Guinea, Salawati en Batanta: 17 October 1864 - 19 April 1865. Nijhoff, 's-Gravenhage. Redactie door S.C.J.W. van Musschenbroek.
- Gijzen A. 1938. ’s Rijks Museum van Natuurlijke Historie, 1820-1915. Proefschrift. Amsterdam. W.L. en J. Brussen.
- Horst R. 1883. On new and little‑known frogs from the Malayan Archipelago. Notes of the Leyden Museum 5: 235‑244.
- Meyer A.B. 1874. Eine Mittheilung von Hrn. Dr. Adolf Bernhard Meyer über die von ihm auf Neu-guinea und den Inseln Jobi, Mysore und Mafoor im Jahre 1873 gesammelten Amphibien. Monatsberichte der Königlichen Preussische Akademie der Wissenschaften zu Berlin: 128-140.
- Wallace A.R. 1862. Narrative of Search After Birds of Paradise. Proceedings of the Zoological Society of London 1862: 153-161. http://www.wku.edu/~smithch/wallace/S067.htm
Thursday, March 3, 2011
